Sectie hymenoptera van de Nederlandse Entomologische Vereniging

Literatuur
Home>Literatuur >BEDREIGDE EN VERDWENEN BIJEN

Een selectie uit:

Bedreigde en verdwenen bijen
in Nederland

Basisrapport met voorstel voor de Rode Lijst
Theo M.J. Peeters & Menno Reemer
2003

Snel zoeken:

 

SAMENVATTING

Dit rapport bevat het voorstel voor een Rode Lijst van de Nederlandse bijen (Apidae s.l.). De Rode Lijst werd samengesteld door Stichting EIS-Nederland in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Van de 338 in Nederland aangetroffen bijensoorten komen er 188 (56%) op de Rode Lijst.

De Rode-Lijststatus is bepaald aan de hand van een combinatie van een zeldzaamheids- en een trendcriterium. De zeldzaamheid werd bepaald met het aantal atlasblokken (5x5 km) waarin een soort is aangetroffen in de periode 1970-2001 (actuele periode). De trend werd bepaald door de status in de actuele periode te vergelijken met de status in de periode voor 1970 (referentieperiode).

Van de 338 in Nederland aangetroffen bijensoorten komen er 188 (56%) op de Rode Lijst: 35 soorten zijn verdwenen, 31 ernstig bedreigd, 52 bedreigd, 53 kwetsbaar en 17 gevoelig. In totaal zijn 16 soorten niet beschouwd, omdat onvoldoende gegevens beschikbaar waren of omdat de soort niet als inheems is beschouwd.

Elke bijensoort van de Rode Lijst wordt afzonderlijk besproken. In elke soorttekst komen het voorkomen in Nederland, de biotoop de nestelwijze, het bloembezoek en de vliegtijd van de soort aan bod. In de basistabel achterin het rapport wordt voor het eerst voor elke Nederlandse bijensoort een Nederlandse Naam gepresenteerd.

In de discussie wordt de Rode Lijst van de bijen vergeleken met Rode Lijsten van andere flora- en faunagroepen. Hieruit blijkt dat bijen ernstiger bedreigd worden dan de meeste andere groepen. Als mogelijke oorzaken hiervan worden genoemd de verarming van de flora, het verdwijnen van 'kleine landschapselementen,' de vermesting van de bodem, de versnippering van leefgebieden en concurrentie om voedselbronnen met honingbijen. Naar aanleiding hiervan worden enkele vuistregels gegeven voor een bijenvriendelijk beheer van natuurgebieden.

 

2 METHODE

2.1 Definities

De Rode-Lijstcriteria worden toegepast op het laagste niveau dat in de international taxonomische literatuur wordt erkend: het niveau van de ondersoort. Als een soort geen ondersoorten heeft, of als over de status of herkenning van de ondersoorten onduidelijkheid bestaat, worden de criteria op het soortniveau toegepast. De criteria worden dus niet toegepast op het niveau van variëteiten of (morfologisch niet te onderscheiden) deelpopulaties. Alleen inheemse en ingeburgerde soorten worden in beschouwing genomen.

Inheems
Alle soorten die (met of zonder de hulp van de mens) zich zowel voor als na 1900 in Nederland hebben voortgeplant.
Ingeburgerd
Alle soorten die vanaf 1900 zonder hulp van de mens zich in Nederland gedurende minimaal tien aaneengesloten jaren hebben voortgeplant.

Soorten die vóór 1900 zijn verdwenen en soorten die zich minder dan tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben voortgeplant, komen dus niet in aanmerking. In de praktijk zijn de bovenstaande criteria voor veel bijensoorten tot op heden moeilijk aan te tonen. Voor de meeste soorten is dit echter wel aannemelijk te maken.

Verder zijn de onderstaande definities in dit rapport van belang.

Populatie
Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort die een voortplantingseenheid vormt en waarvan aannemelijk is dat deze zich al minstens 10 jaar in Nederland handhaaft. Omdat voortplanting aan de hand van de beschikbare gegevens moeilijk is aan te tonen, wordt bij bijen van en populatie gesproken als op dezelfde plaats minstens drie exemplaren zijn gevonden.
Verdwenen
Verdwenen soorten zijn inheemse soorten, waarvan aannemelijk is dat zij al minstens 10 jaar niet meet in Nederland voorkomen. In dit rapport is hiervoor als uitgangspunt genomen dat van de soort in de periode vanaf 1970 geen populaties in Nederland zijn aangetroffen.
Zwerver / incidentele vondst
Een individu, dat geen deel uitmaakt van een populatie. Omdat dit op basis van de beschikbare gegevens vaak moeilijk is in te schatten, spreken we hier van een zwerver als er maximaal twee exemplaren zijn gevonden.

Enkele in dit rapport gebruikte termen zijn specifiek op bijen van toepassing. Deze worden hieronder toegelicht.

Oligolectisch / polylectisch
Oligolectische bijensoorten verzamelen hun stuifmeel op een beperkt aantal nauw verwante planten, zoals bijvoorbeeld één plantengenus of geelgekleurde composieten. Polylectische bijensoorten bezoeken de bloemen van uiteenlopende plantenfamilies.
Koekoeksbij / nestparasiet
Parasitaire bijen, die het nest van andere bijensoorten gebruiken om er hun eigen eieren in te leggen. De larve van de koekoeksbij gebruikt het voedsel dat door de gastheer is verzameld.
Aggregaties
Groepen van nesten van dezelfde soort dicht bij elkaar.
 

3 RODE LIJST

3.3 Voorstel Rode Lijst

Tabel 8 geeft een overzicht van de bijensoorten per Rode-Lijstcategorie. In totaal komen 188 van de 338 beschouwde soorten op de Rode Lijst. Dit is 55,6% van de 338 uit Nederland gemelde bijensoorten. Het aantal soorten per Rode-Lijstcategorie is als volgt:


verdwenen / disappeared 35
ernstig bedreigd /critically endangered 31
bedreigd / endangered 52
kwetsbaar / vulnerable 53
gevoelig / susceptible 17
totaal / total 188

Tabel 2: Toelichting op de zeldzaamheidsklassen.
code
zeldzaamheidsklasse
scarcity class
areaalgrootte (%)
area (%)
aantal uurhokken
(1970-2001) (5x5 km)
number of 5x5 kilometer squares
a
algemeen
common
≥12,5%
≥137
z
vrij zeldzaam
somewhat scarce
5-12,4%
56-137
zz
zeldzaam
scarce
1-4,9%
11-55
zzz
zeer zeldzaam
very scarce
<1%
<11
x
afwezig
absent
0%
0

Tabel 3: Toelichting op de trendklassen.
code
trendklasse
trend class
% achteruitgang
decrease
0/+
stabiel / toegenomen
stable / increase
<25%
t
afgenomen
decrease
25-49%
tt
sterk afgenomen
large decrease
50-74%
ttt
zeer sterk afgenomen
very large decrease
75-99,9%
tttt
maximaal afgenomen
maximum decrease
100%

Tabel 8 geeft een overzicht van de bijensoorten per Rode-Lijstcategorie. In totaal komen 188 van de 338 beschouwde soorten op de Rode Lijst. Dit is 55,6% van de 338 uit Nederland gemelde bijensoorten.

Tabel 8: Voorstel Rode Lijst van de Nederlandse bijen. In 5 delen: deel 1
Verdwenen (35 soorten)
Disappeared (35 species)
Laatste waarneming
Last Observed
Ammobates punctatus Horn (1956)
Andrena curvungula Maastricht (1961)
Andrena marginata Maastricht (1962)
Andrena nitidiuscula Echt (1950)
Andrena pandellei Terwinselen (1952)
Andrena schencki Losser (1969)
Andrena thoracica Maastricht (1972)
Anthidium byssinum Lage Mierde (1977)
Anthophora aestivalis Epe (1946)
Anthophora bimaculata Simpelveld (1954)
Anthophora borealis Helenaveen (1948)
Anthophora plagiata Herpen (1961)
Biastes truncatus Echt (1952)
Bombus confusus Tegelen (1942)
Bombus cullumanus Terschelling (1953)
Bombus pomorum Nijmegen (1948)
Bombus subterraneus Kunderberg (1958)
Coelioxys alata Babberich (1943)
Dufourea minuta Plasmolen (1891)
Halictus eurygnathus Wrakelberg (1966)
Halictus quadricinctus Heerlen (1954)
Lasioglossum laeve Plasmolen (1954)
Lasioglossum laevigatum Echt (1950)
Nomada argentata Echt (1951)
Nomada furva Cottessen (1969)
Nomada mutabilis Echt (1960)
Nomada obtusifrons Kootwijk (1946)
Nomada piccioliana Wrakelberg (1966)
Nomada rhenana Heumensoord (1961)
Nomada roberjeotiana De Spar (1963)
Osmia anthocopoides Maastricht (1953)
Osmia papaveris Heeren (1942)
Osmia xanthomelana Terschelling (1969)
Rophites quinquespinosus Bemelen (1968)
Thyreus orbatus Echt (1955)

Tabel 8: deel 2
Ernstig bedreigd (31 soorten)
Critically endangered
zeldzaamheidsklasse vanaf 1970
Scarcity class since 1970
trendklasse
Trend class
Andrena alfkenella zzz ttt
Andrena coitana zzz ttt
Andrena combinata zzz ttt
Andrena gelriae zzz ttt
Andrena niveata zzz ttt
Andrena rosae zzz ttt
Andrena tarsata zzz ttt
Bombus barbutellus zzz ttt
Bombus distinguendus zzz ttt
Bombus ruderatus zzz ttt
Bombus sorveensis zzz ttt
Bombus sylvarum zzz ttt
Coelioxys aurolimbata zzz ttt
Coelioxys conoidea zzz ttt
Dufourea dentiventris zzz ttt
Dufourea halictula zzz ttt
Dufourea inermis zzz ttt
Eucera nigrescens zzz ttt
Halictus leucaheneus zzz ttt
Halictus sexinctus zzz ttt
Hylaeus variegatus zzz ttt
Lasioglossum lineare zzz ttt
Lasioglossum pygmaeum zzz ttt
Melecta luctuosa zzz ttt
Nomada distinguenda zzz ttt
Nomada femoralis zzz ttt
Nomada sexfasciata zzz ttt
Sphecodes rufiventris zzz ttt
Sphecodes spinulosus zzz ttt
Stelis minuta zzz ttt
Stelis signata zzz ttt

Tabel 8: deel 3
Bedreigd (52 soorten)
Endangered
zeldzaamheidsklasse vanaf 1970
scarcity class since 1970
trendklasse
trend class
Andrena argentata zz tt
Andrena bimaculata zz tt
Andrena chrysopyga zzz tt
Andrena denticulata zz tt
Andrena fulvago zz tt
Andrena fulvida zz tt
Andrena gravida zz tt
Andrena hattorfiana zz tt
Andrena labialis zz tt
Andrena pilipes zz tt
Andrena pusilla zz tt
Andrena similis zzz tt
Anthophora retusa zz ttt
Bombus humilis zz ttt
Bombus magnus zz ttt
Bombus muscorum zz ttt
Bombus rupestris zz ttt
Bombus veteranus zz ttt
Coelioxys elongata zz tt
Coelioxys inermis zz tt
Coelioxys quadridentata zz ttt
Coelioxys rufescens zz tt
Eucera longicornis zz ttt
Halictus maculatus zzz tt
Hylaeus clypearis zzz tt
Hylaeus pfankuchi zzz tt
Lasioglossum intermedium zzz tt
Lasioglossum lativentre zz ttt
Lasioglossum minutulum zzz tt
Lasioglossum nitidiusculum zz tt
Lasioglossum quadrinotatum zzz tt
Lasioglossum sexmaculatum zzz tt
Megachile alpicola zz tt
Megachile circumcincta zz tt
Megachile ligniseca zz ttt
Megachile maritima zz tt
Melecta albifrons zz tt
Nomada armata zzz tt
Nomada emarginata zzz tt
Nomada fulvicornis zz ttt
Nomada fuscicornis zz ttt
Nomada guttulata zzz tt
Nomada integra zz tt
Nomada opaca zzz tt
Nomada striata zz tt
Osmia adunca zzz tt
Osmia bicolor zzz tt
Osmia leaiana zz ttt
Osmia niveata zz tt
Sphecodes rubicundus zzz tt
Stelis minima zzz tt
Stelis phaeoptera zz ttt


Tabel 8: deel 4
Kwetsbaar (53 soorten)
Vulnerable
zeldzaamheidsklasse vanaf 1970
scarcity class since 1970
trendklasse
trend class
Andrena apicata zz t
Andrena fuscipes z t
Andrena humilis zz t
Andrena nigriceps zz t
Andrena ovatula z t
Andrena polita zzz t
Andrena tibialis z t
Andrena varians z t
Andrena wilkella z t
Anthidium punctatum zz t
Anthophora furcata zz t
Anthophora quadrimaculata zz t
Bombus jonellus z tt
Bombus ruderarius z tt
Chelostoma campanularum z t
Chelostoma distinctum zz t
Chelostoma florisomne z t
Coelioxys mandibularis zz t
Hylaeus leptocephalus zzz t
Hylaeus pectoralis zz t
Lasioglossum brevicorne zz t
Lasioglossum malachurum zz t
Lasioglossum brevicorne zz t
Lasioglossum parvulum zz t
Lasioglossum sexnotatum zz t
Lasioglossum xanthopus zz t
Megachile analis zz t
Megachile centuncularis z t
Megachile ericetorum zz t
Megachile leachella zz t
Melitta leporina zz t
Melitta tricincta zz t
Nomada bifisciata zz t
Nomada ferruginata zz t
Nomada flavopicta zz t
Nomada goodeniana z t
Nomada lathburiana z t
Nomada leucophthalma zz t
Nomada obscura zzz t
Nomada similis zz t
Osmia aurulenta zz t
Osmia caerulescens z t
Osmia cornuta zz t
Osmia maritima zzz t
Osmia ravouxi zzz t
Osmia spinulosa zzz t
Sphecodes ephippius z t
Sphecodes ferruginatus zz t
Sphecodes niger zzz t
Sphecodes scabricollis zz t
Stelis breviuscula zz t
Stelis ornatula zz t
Stelis punctulatissima zz t
Xylocopa violacea zz t

Tabel 8: deel 5
Gevoelig (17 soorten)
Susceptible
zeldzaamheidsklasse vanaf 1970
Scarcity class since 1970
trendklasse
trend class
Andrena agilissima zzz 0/+
Andrena distinguenda zzz 0/+
Andrena ferox zzz 0/+
Andrena intermedia zzz 0/+
Andrena viridescens zzz 0/+
Colletes impunctatus zzz 0/+
Epeolus alpinus zzz 0/+
Epeolus tarsalis zzz 0/+
Halictus scabiosae zzz 0/+
Hylaeus difformis zzz 0/+
Hylaeus spilotus zzz 0/+
Hylaeus styriacus zzz 0/+
Macropis fulvipes zzz 0/+
Nomada mutica zzz 0/+
Nomada stigma zzz 0/+
Nomada zonata zzz 0/+
Osmia tridentata zzz 0/+
 

6 DISCUSSIE

6.1 Vergelijking met andere flora- en faunagroepen

Maar liefst 56% van de Nederlandse bijensoorten staat op de Rode Lijst. Vergeleken met de meeste ander flora- en faunagroepen waarvan Rode Lijsten zijn verschenen, is dit een hoog percentage (zie tabel 11). Alleen bij dagvlinders en reptielen en amfibieën staat een groter deel van de Nederlandse soorten op de Rode Lijst.

Tabel 11: Flora- en faunagroepen waarvan Nederlandse Rode Lijsten zijn verschenen, met per groep het percentage van het totaal aantal soorten dat op de Rode Lijst staat (geordend op dit percentage).
groepen/
groups
totaal aantal soorten/
total number of species
percentage op Rode Lijst/
percentage on the Red List
bron/
source
dagvlinders / butterflies 70 69% Wijnhoff & Van Swaaij (1995)
reptielen en amfibieën / reptiles and amphibians 23 65% Creemers (1996)
bijen / bees 338 56% dit rapport
zoogdieren / mammels 65 46%+ Hollander & Van Der Reest (1994)
sprinkhanen en krekels / grasshoppers and crickets 40 45% Odé (1999)
libellen / dragonflies 61 44% Wasscher (1999)
mollusken / molluscs 169 42% De Bruyne et al. (2003)
vaatplanten / vascular plants 1490 38% Van der Meijden et al. (2000)
vogels / birds 178 31% Osieck & Hustings (1994)

6.2 Waarom gaat het zo slecht met de bijen in Nederland?

In paragraaf 6.1 werd duidelijk dat bijen in Nederland sterker achteruit zijn gegaan dan de meeste andere flora- en faunagroepen. De vraag naar de oorzaak van deze zorgwekkende situatie is moeilijk te beantwoorden. Hier is noot onderzoek naar verricht, maar onder bijenkenners in Nederland leven hier wel ideeën over. Tijdens een bijeenkomst in 1999 zijn deze ideeën door EIS-Nederland op een rijtje gezet (zie Reemer & Kleukers 1999).

Er zijn 'algemene' oorzaken te noemen die de achteruitgang van de hele Nederlandse natuur betreffen, zoals biotoopvernietiging, verzuring, vermesting en versnippering van leefgebieden. Daarnaast zijn er mogelijke oorzaken die met name op bijen betrekking hebben. Enkele hiervan worden hieronder toegelicht.

6.3 Maatregelen

Bijen zijn insecten van droge, bloemrijke terreinen met een mozaïekpatroon van verschillende habitats op korte afstand van elkaar. Enig reliëf is gunstig door de verschillen in microklimaat die hierdoor optreden. Steeds meer kleine landschapselementen zijn in de loop der jaren verdwenen. Door hier aandacht aan te besteden kan de nestelgelegenheid voor bijen bevorderd worden.

Ook is er een algemeen gebrek aan bloemrijke, (hei)schrale gras- en hooilanden in en rondom natuurgebieden. De aanleg van bloemrijke akkertjes in of langs natuurgebieden kan bijdragen aan de voedselvoorziening van bijen.

Er is nog weinig kennis over de effecten van bepaalde beheersmaatregelen op de bijenfauna. Wel kunnen er enkele algemene vuistregels voor beheer worden gegeven die in alle terreinen de bijenfauna ten goede zullen komen. Deze worden hieronder genoemd. (Zie ook de folder 'Eerste hulp voor wilde bijen' van EIS-Nederland.

Nestelgelegenheid

Om nestelgelegenheid te bevorderen kunnen onderstaande maatregelen worden toegepast

.
Bloemen

De rijkdom aan bloemen in een terrein is een belangrijke kwaliteitsparameter voor bloembezoekende insecten. De volgende maatregelen zijn effectief in het handhaven of creëren van bloemrijke vegetaties.

6.4 Evaluatiemogelijkheden

De effecten van beleidsmaatregelen op overheidsniveau kunnen gevolgd worden via de verspreidingsgegevens in het databestand van EIS-Nederland. Deze gegevens beslaan een lange periode en worden jaarlijks aangevuld met gegevens uit alle delen van Nederland. Een nadeel hiervan is dat de gegevens niet op een systematische wijze verzameld zijn. Van gestandaardiseerde, landelijke monitoring kan echter geen sprake zijn door het tekort aan specialisten die hiervoor in te zetten zijn. De gegevens van EIS-Nederland kunnen bijvoorbeeld wel gebruikt worden voor toekomstige Rode Lijsten.

Op kleine schaal, bijvoorbeeld in bepaalde natuurgebieden, kunnen de effecten van beheersmaatregelen op de bijenfauna gevolgd worden door middel van periodieke inventarisaties, die bijvoorbeeld om de twee of drie jaar herhaald worden. Ontwikkelingen in de populaties kunnen hiermee goed in kart worden gebracht. In het bestand van EIS-Nederland zijn uit veel gebieden ook oude gegevens aanwezig, zodat een vergelijking met de vroegere bijenfauna kan plaatsvinden. Dergelijk inventarisaties zijn bijvoorbeeld uitgevoerd voor de vereniging Natuurmonumenten (Reemer et al. 1999, Peeters & Reemer 2001).