De volgende boeken worden hieronder besproken:
Howard Evans stierf in 2002 en liet een manuscript achter met een aanvulling op zijn klassieke werk uit 1966 'The comparative ethology and evolution of the sand wasps'. Kevin O'Neill, een student van Evans, heeft dit manuscript vijf jaar later in boekvorm gegoten.
Met 'sand wasps' worden hier de graafwespen van de subfamilie Bembicinae bedoeld. In ons land zijn 8 genera en 22 soorten van deze subfamilie aangetroffen, waarvan er in dit boek 14 ter sprake komen. Omdat 't er zo weinig zijn som ik ze hier even op: Alysson pertheesi, Alysson spinosus, Didineis lunicornis, Arogoytes fargeii, Arogoytes mystaceus, Harpactus tumidus, Gorytes laticinctus, Gorytes quadrifasciatus, Gorytes quinquecinctus, Lestiphorus bicinctus, Nysson interruptus, Nysson maculosus, Nysson spinosus en Bembix rostrata. Aan de meeste soorten worden slechts enkele zinnen geweid. Onze grootste graafwesp, de harkwesp Bembix rostrata, komt regelmatig ter sprake.
Het boek bestaat uit een tweetal delen. Een inleiding gevolgd een bespreking van de informatie die bekend is over de Bembicinae in hoofdstuk 1-7 (blz. 1-223). Deze hoofdstukken zijn overzichtelijk ingedeeld en vatten de nieuwe kennis over de soorten en genera samen. Ze besluiten elk met een overzicht van hetgeen bekend is van het tribus (achtereenvolgend Alvssontini, Gorytini, Nyssonini, Stizini en Bembicini). Over het soortenrijke genus Bembixem> is een apart hoofdstuk geschreven.
Het slothoofdstuk 8 (blz. 224-293) vormt het tweede, meet thematische deel van het boek. In dit hoofdstuk worden de verschillende gedragingen van de wespen verge1eken en deze komen aan bod in diverse thema’s zoals habitat, nestelgedrag, prooitransport, oriëntatie, eileggedrag, jachtgedrag, vijanden, slaap. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf over bescherming van graafwespen.
'The sand wasps' is stevig ingebonden in een mooi bruinoranje kaft omwikkelt door een fris groene flap. Achterin vinden we enkele onderzoekstips, een literatuurlijst en een index.
Het boek was voor mij weinig inspirerend in de zin dat ik gepakt werd door de bespreking van nieuwe onderzoeksresultaten of onderzoekslijnen. Vergelijking van de literatuurlijsten van O'Neill (2001) met dit boek laat zien dat O'Neill zelf sinds 2001 ook slechts één nieuwe publicatie over deze graafwespengroep heeft uitgebracht en zich vooral heeft beperkt tot de engelstalige literatuur. Ik mis teveel de hand van Evans en dit postume werk is dan ook geen waardige afsluiting van het werk van deze grote taxononoom en etholoog. Voor een degelijk overzicht van de Bembicinae kun je naast Bohart & Menke (1976) mijns inziens het beste beginnen met Evans (1966) 'The comparative ethology and evolution of the sand wasps'.
This hReview brought to you by the hReview Creator.
Wat nu volgt is geen boekbespreking. Ik probeer voor mezelf te verklaren waarom O'Neill's boeken, zoals 'Solitary Wasps' (2001) en nu 'The Sand Wasps' (2007) mij altijd wat teleurstellen. Ze bevatten altijd een zee van feiten en nooit eens een samenvattend kader. In Solitary Wasps deed hij een, naar mijn mening niet zo geslaagde, poging de solitaire wespen in twee groepen te verdelen, de parasitoiden en de predatoren. Het leverde geen nieuw inzicht op in de gedragingen van de wespen maar wel een geduchte discussie binnen en buiten Bzzz over wat nu precies parasitoiden en predatoren zijn. Vooruit, dat is een verdienste van 0'Neiil.
Ik weet na lezing van 'The Sand Wasps' waarom ik weer teleurgesteld ben: ik lees zijn boeken vanuit een verkeerde invalshoek. Ik lees ze als bioloog en ik wil lezen over een biologische theorie, toegelicht aan de wespen. Dat doet bijvoorbeeld Alcock wel, lees zijn artikel over het voortplantingsgedrag van de mannelijke bijen en wespen maar eens (Alcock et al, 1978) of blader zijn studieboek 'Animal Behavior' (1979) eens door. Iwata (1971) is een voorbeeld van een prettig leesbare, samenvattende presentatie van veel feiten. O'Neiil heeft geen samenvattend idee, hij somt alleen maar feiten op, in woord of in tabel. Bovendien vind ik O'Neill biologisch niet sterk. Ik illustreer dat aan een onderwerp dat mijn belangstelling heeft: de aculeaten gemeenschap als voedselweb. In fig. 8.2. op pagina 236 is een hypothetisch voedselweb afgebeeld. Wat onmiddellijk opvalt is de richting waarin de pijlen wijzen. Ik leerde mijn leerlingen dat een pijl van A naar B betekent dat A in de maag van B verdwijnt. In deze figuur verdwijnen wespen in planten. Bovendien illustreert deze figuur een verhaal onder het kopje 'Interspecific Nesting Association', in het hoofdstuk 'vergelijkende ethologie', terwijl het toch een typisch ecologisch onderwerp is.
Nu weet ik dat ik O'Neill's boeken moet 'lezen' (het zijn eigenlijk naslagwerken) vanuit een andere invalshoek, die van de 'naturalist' of natuuronderzoeker. Het is mijn fout, ik had het kunnen weten maar ik las over de ondertitels heen: 'Natural history and behaviour'.
Zijn invalshoek legt hij op pagina 5 en volgende van The Sand Wasps uit. Citaat: "The trend toward greater empirical and theoretical rigor in wasp biology is to be welcomed, but there is still much good to be said about publications that present basic records of wasp natural history with little, if any, statistical treatment of data and with no explicit testing of major theories in ethology and evolution. E.O. Wilson (1992) defines natural history as 'ecology expressed in the details of the biology of individual species' and Greene (2005) refers to it as 'descriptive ecology and ethology'".
Kan ik zijn 'Sand Wasps' meer waarderen als ik het uit de 'natural history' invalshoek lees?
Nou, eigenlijk niet. Maar daar kan O'Neill niets aan doen. Het is gewoon geen schrijver. Denk aan onze eigen Thijsse en vooral aan Fabre. Ook zij behandelen het leven van bijen- en wespensoorten, maar hoe! Je leest hun artikelen en boeken met rode konen en wilt daarna meteen het veld in om al dat schoons te gaan zien. Kan ik dan niets positiefs melden? Ja. Zijn beide boeken vormen een rijke bron aan informatie over de levens van vele soorten wespen. Als ik zijn informatie over soorten, die ook bij ons voorkomen, vergelijk met die in 'ons' wespen- en mierenboek dan biedt O'Neill meestal veel meet informatie. Het zijn zeer volledige naslagwerken maar ze zijn voor mij teleurstellend arm aan biologie en niet prettig leesbaar.
This hReview brought to you by the hReview Creator.
Enkele weken terug kreeg ik van Jan Smit enige nieuwe uitgaven van zijn hand en even later de vraag of ik het rapport over Westervoort wilde bespreken voor onze nieuwsbrief. Ik ben altijd blij verrast door dit soort acties en dus heb ik er dan ook serieus werk van gemaakt.
Het verslag ziet er fris en keurig uit en doet denken aan een themanummer van onze nieuwsbrief Bzzz geschreven door één auteur. (Een wens die ik koester want dan hebben we in één klap een extra nummer!)
Het verslag bestaat uit een beschrijving van het onderzoeksgebied, de werkwijze met daarin bijvoorbeeld ook het aantal inventarisatiedagen (192!), gevolgd door een uitgebreide paragraaf over de biologie van bijen en wespen. Daarna volgt een paragraaf resultaten en conclusies en een paragraaf waarin enkele zeldzame soorten van Westervoort worden besproken. De schrijver besluit met een blik in de toekomst waarin we ook een reden voor de titel 'uitgerangeerd' terugvinden. Op het onderzoeksterrein wordt in de toekomst een nieuw station gebouwd en 'daarmee zullen de meeste soorten bijen en wespen op het emplacement, evenals de inventariseerder wel zijn uitgerangeerd'.
Het verslag is voorzien van een samenvatting, een inleiding, literatuurlijst en een index. En tevens is als een soort bijlage de soortenlijst opgenomen met per jaar de soorten die gevangen zijn. Tevens zijn in deze soortentabel per soort het totaal aantal vangsten, de nestplek, de zeldzaamheid en de status opgesomd. Deze basisgegevens vormen een zeer belangrijk onderdeel van het verslag waardoor het geheel transparant wordt en je ook zelf bepaalde zaken kunt nakijken, interpreteren. Het verslag is duidelijk vormgegeven, volledig in kleur uitgevoerd en geïllustreerd met mooie foto's, verspreidingskaartjes, diagrammen en tabellen. Kortom: 't leest heerlijk weg! Ik heb hieronder enkele kleine inhoudelijke opmerkingen en gedachten genoteerd die me bij het lezen van het veslag te binnen schoten.
In tabel 2 is een kruisje vergeten op de kruising van Crossocerus (walkeri) en haar prooidieren haften. Bij de vergelijking met de stationsterreinen Boschpoort en Simpelveld zou naast eigen gegevens en die gepubliceerd door Lefeber in 1991 ook de databank van EIS-Nederland gebruikt kunnen zijn. Opvallend is het gebruik van mannetjes en vrouwtjestekens in de soortenlijst. Jammer dat met de aantallen en seksen verder niks wordt gedaan. Het verslag besluit met een paragraaf over zeldzame soorten van Westervoort: Polistes dominulus, Crossocerus walkeri, Hylaeus cornutus, Andrena lathyri, A. niveata, Nomada guttulata en N. Zonata. In de titel van deze paragraaf 'van Westervoort' weglaten want zeldzaam slaat hier meer op de landelijke verspreiding. Andrena lathyri is immers in 18 van de 20 jaren gevangen! We focussen misschien teveel op zeldzame soorten terwijl het toch voor de hand ligt je kennis te verrij ken aan de algemene soorten op Westervoort zoals Ancistrocerus oviventris, Lestithorus bicinctus, Andrena synadelpha en Andrena lathyri.
De totaaffijst is indrukwekkend: 244 soorten, waarvan 124 bijen en 120 wespen. Een grafiek toont dat die lijst ook op het eind nog elk jaar groeide. Dat is het leuke van een lange tijd op dezelfde plek inventariseren. En uiteindelijk sta je dan toch ook zelf nog te bedenken waarom soorten zoals bijvoorbeeld Halictus rubicundus, Nomada fulvicornis, Dasypoda hirtipes en Myrmosa atra nog ontbreken op je lijst.
Jan proficat met deze mooie uitgave. Samen met het onderzoek van Virgilius Lefeber in de ENCI-groeve (Lefeber 1998) is dit veruit de langstdurende gepubliceerde inventarisatie in ons land. Na de Stikke Trui en Arnhemse uiterwaarden een mooie aanvulling van de grotere inventarisaties van jouw hand. Het blijft wellicht nog even een verrassing welk(e) terrein(en), behalve je tuin, je de komende jaren gaat onderzoeken. Als ik in Duiven zou wonen werd dat 'de streek' die Benno o.a. in 1953 zo treffend besprak...
This hReview brought to you by the hReview Creator.
Zoals in het Dankwoord staat heb ik 'stevig meegedacht' met Jan. Vooral over de rangschikking en interpretaties van zijn gegevens. Wat ons vooral opviel was het verschijnsel dat door de jaren heen wel het soortenspectrum maar niet het soortenaantal verandert. Dat laatste blijft vrij constant. We interpreteren het veranderende soortenspectrum als een weerspiegeling van de successie in het terrein en het constante aantal soorten als een teken dat de draagkracht door de jaren heen gelijk blijft. Ik kan nu nog een ander licht laten schijnen op het constante aantal soorten. Bij het opruimen van mijn boekenkast viel mij Willem Ellis' Biogeografie (1988) in handen. Er stak een papierje tussen pagina 34 en 35. En wat staat daar? Iets over het evenwichts-model van Mac Arthur & Wilson, de mannen van de eilandtheorie die o.a. heeft geleid tot het idee van de Ecologische Hoofd Struktuur (EHS). Ik citeer: "Volgens deze theorie is het aantal soorten op een eiland het resultaat van een dynamisch evenwicht tussen enerzijds immigratie van soorten van elders, en anderzijds uitsterven van ter plaatse voorkomende soorten. Anders gezegd, voortdurend komen er van elders soorten bij en sterven er lokaal soorten uit, zonder dat het totale soortenaantal verandert. Nog korter: na een aanloopfase houden immigratie en extinctie elkaar in evenwicht. Zowel de kans dat een soort op een eiland uitsterft als de kans dat een nieuwe soort op een eiland terecht komt is gekoppeld aan de grootte van het eiland".
Jan's gegevens vormen dus een mooie ondersteuning van deze theorie, Op het 'eiland' Westervoort, twee hectare groot, leven jaarlijks ongeveer 80 soorten bijen en wespen. Mijn voorstel voor de titel van een eventuele herdruk is 'Een uitgerangeerd eiland'.
This hReview brought to you by the hReview Creator.
Op 12 september 2008 was de grote dag voor de Zeeuwse insectenwerkgroep: hun boek over bijen en wespen in Zeeland werd gepresenteerd. Rondom dit heuglijke feit was een mini-symposium georganiseerd, met voorafgaand een excursie in de Kwade Hoek.
De Zeeuwse atlas
Het boek ziet er goed verzorgd en kleurrijk uit, met veel fraaie foto's, Op de eerste 23 pagina's wordt een algemene inleiding gehouden over bijen en wespen, met hoofdstukken over de indeling, voortplanting, voedsel, fenologie, vijanden en parasieten. Daarna volgen er hoofdstukken over het onderzoek in Zeeland, voorkomen en verspreiding in Zeeland, biotopen, het klimaat en als laatste de status, bedreiging en bescherming van bijen en wespen in Zeeland. Dit laatste hoofdstuk is belangrijk, met name door de uitgever van het boek (het Zeeuwse Landschap) die tevens beheerder is van een aantal gebieden in deze provincie. Waardoor welhaast automatisch de beheersadviezen onderschreven en uitgevoerd zullen worden. Wat een goed bericht is voor de aculeaten in deze provincie.
Het merendeel van het boek bevat korte beschrijvingen van alle soorten die in Zeeland zijn waargenomen, met een verspreidingskaartje van de soort in deze provincie. Het boek bevat veel aanvullingen op de verspreidingskaartjes in de voorlopige atlas van de bijen (Peeters et al. 1999) en die van de wespen en mieren van Nederland (Peeters et al. 2004). De lijst is weer gelardeerd met veel fraaie foto's. Door de vormgeving is bovendien in één oogopslag de status van een soort te zien.
Geen kritiek?
Jawel, zo is niet aangegeven welke lijn er gevolgd is met betrekking tot de naamgeving, die wijkt hier en daar af van die in de beide genoemde standaardwerken en van Peeters & Reemer (2003). Helaas zitten er in het boek nogal wat tikfouten in de wetenschappelijke soortnamen en worden een enkele keer oude en nieuwe namen in hetzelfde stuk tekst door elkaar gebruikt. De soort Mellinus crabroneus wordt wel genoemd bij de verdwenen soorten, maar is in de lijst vergeten. De verspreidingskaartjes van de bijen worden vergeleken met de voorlopige atlas uit 1999, maar er zijn diverse publicaties die daar al aanvullingen op hebben gegeven. Wat dat betreft is veel relatief recente literatuur niet gebruikt bij het maken van de teksten.
In het boek worden twee soorten aculeaten nieuw voor de fauna van ons land gemeld. Begrijpelijk vanuit het oogpunt van de auteurs, vanwege de nieuwswaarde van het boek. Maar jammer, want door de beperkte verspreiding van het boek zal dit minder aandacht krijgen dan het verdient. Daarnaast is de melding van Sphex funerarius niet compleet, zo ontbreken de datum en de precieze locatie.
Wat overheerst?
Enorme bewondering voor de Zeeuwse club, die er in enkele jaren tijd in is geslaagd om van één van de slechtst onderzochte provincies in ons land op het gebied van de aculeaten, de best onderzochte te maken. Daarin is heel veel tijd geïnvesteerd. Naar de resultaten kan het landelijke witte vlekkenplan van de sectie alleen maar jaloers kijken.Daarnaast heeft deze club het in die periode ook nog eens voor elkaar gekregen een symposium over schorbijen te organiseren met internationale allure.
En verder?
Deze enthousiaste club heeft nog veel meer onder de pet! Er is jarenlang heel veel gerichte aandacht besteed aan de soorten Colletes halophilus en Epeolus tarsalis en dat niet alleen in ons eigen land. Er is heel veel uitgezocht en ontdekt. Hier moeten ze nog wel een boek over gaan schrijven, dat kan niet anders. Ik ben alvast zeer benieuwd!!
This hReview brought to you by the hReview Creator.
Het boekje 'Passie voor kleine beestjes' is één van de vruchten van het 33,3 jarig jubileum van EIS-Nederland. De coördinatoren van de werkgroepen waren uitgedaagd in een kort artikel verrassende aspecten van de ongewervelde fauna in Nederland te verwoorden. Verhalen over bijzondere soorten op onverwachte plaatsen, uitnodigend en inspirerend voor mensen die niets van die diergroep weten. Het resultaat is naast twee inleidende artikelen over EIS en haar geschiedenis een serie van 25 korte verhalen die onverwachte kanten van de natuur voor het voetlicht brengt. Voorzitter Geert de Snoo wenst de lezer in zijn voorwoord veel leesplezier, dat moet lukken.
Veel Hymenoptera
De soorten waar onze sectie zich mee bezighoudt zijn goed vertegenwoordigd. In 'Wesp op je bord' gaat Jan Smit in op het waarom van het hinderlijk voorkomen van de gewone wesp en de Duitse wesp in het najaar. Hij geeft het advies je drankje af te dekken en niet wild om je heen te slaan om de last te beperken. Het advies om er met plezier het gedrag te bekijken gaat hem kennelijk te ver.
'Behangers in een bijenhotel' door Pieter van Breugel laat zien hoe makkelijk je in je eigen tuin aan natuurbeheer kan bijdragen en dat je als entomoloog daar ook leuke waarnemingen aan over kan houden. Dat Theo Peeters een niet te vermijden naam is in bijenland blijken we te danken te hebben aan de bestrating van een boerenerf. In 'Trottoirbijen' vertelt hij over zijn eerste onderzoek. Ook indirect komen de groepen waar wij een passie voor hebben aan bod. 'Waaiertjes in je lijf' van John Smit gaat over de waaiervleugeligen zoals het zandbijenwaaiertje dat parasiteert op zandbijen. Al op de omslag prijkt een mooie foto van een grijze zandbij met copulerende zandbijwaaiertjes. 'Een vuurspin op zolder' van Hans Nieuwenhuijsen gaat eigenlijk over het inventariseren van de vuurspindoder. 'Stadsreus steekt hoofd in wespennest' van Menno Reemer gaat over een grote zweefvlieg waarvan de larven van afval en dode wespenlarven in wespennesten leven.
Geef het weg
Passie voor kleine beestjes is een boekje dat prima geschikt is om deze passie door te geven. De grote verscheidenheid aan kleine beestjes met al hun nieuwsgierigheid prikkelende eigenaardigheden komen op een prettig leesbare manier aan bod. Zonde wanneer alleen de mensen die al geraakt zijn door deze passie het leesgenot van dit boekje kunnen smaken. Ik hoop dat vele herdrukken volgen en dan de lezing van Mathijs Schouten tijdens de jubileumbijeenkomst over de rol van insecten in verschillende culturen er bij in opgenomen wordt.
This hReview brought to you by the hReview Creator.
Als rechtgeaarde anglofiel bezoek ik bijna jaarlijks Engeland. In het veld verzamel ik niets, maar des te meer in pubs, in musea en in 'new and second hand bookshops'. In de laatste verzamel ik, behalve Engelse literatuur, ook boeken over de biologie in het algemeen en de aculeaten in het bijzonder. Zo trof ik in 2006/2007 de volgende interessante publicaties aan.
Ted Benton's 'Bumblebees', een pil van 580 pagina's, verscheen in 2006 bij Collins (www.collins.co.uk) in de bekende serie 'The new naturalist library'. (paperback ISBN 0 00 717451 9 ; 25 pond). Is het een geactualiseerde versie van Free & Butler (1959) in dezelfde serie? In biologisch opzicht wel, maar Benton is een socioloog dus hij legt toch andere accenten dan de biologen Free & Butler. Hij heeft oog voor sociale veranderingen in de maatschappij, die nadelig doorwerken in het milieu. En als er é´n aculeatengroep het slachtoffer dreigt te worden van deze veranderingen dan zijn het wel de hommels, of ze nu in Engeland of in Nederland rondvliegen.
Dit is niet de plaats voor een bespreking van het boek. Evenmin ben ik de aangewezen persoon om dat te doen. Ik wil alleen kort een punt aanstippen met betrekking tot de determinatietabel in het boek. Noch Van der Blom (1989) in zijn 'De hommels van Nederland', noch Volker Mauss (1994) in zijn 'Bestimmungsschlüssel für Hummeln' maken bij de vrouwtjes gebruik van de vorm van de angelschede als determinatiekenmerk. Alford (1975), in zijn 'Bumblebees', deed dat al wel en Benton volgt hem daarin. Met name voor het onderscheid tussen B. terrestris en B. lucorum is dit kenmerk van belang. Naar mijn bescheiden mening is dit boek een 'must' voor een ieder die in bijen s.l. is geïnteresseerd.
De volgende twee publicaties zijn uitgegeven door BWARS, de Bees,Wasps and Ants Recording Society. Eerst iets over de societies. Engeland is het land van de Societies. Op entomologisch gebied zijn dat: The Amateur Entomologist's Society (AES) (www.amentsoc.org), The British Entomological and Natural History Society (BENHS) (www.benhs.org.uk) en The Royal Entomological Society (RES) (www.royensoc.co.uk).
De AES heeft het uiterst bruikbare The Hymenopterist's Handbook (Betts, Laffoley & Cribb 1986, tweede druk) uitgegeven. Een aanrader voor iedereen, die zich verdiept in deze insektenorde. Helaas is het, bij mijn weten, alleen nog antiquarisch te koop.
The RES verenigt vooral de professionele entomologen. Oprechte amateurs, zoals de meesten van ons, vinden in Engeland onderdak bij de BENHS. Het bijzondere van de Nederlandse NEV is dat zij beide groepen beoefenaren/ beoefenaressen in zich verenigt en met elkaar in contact brengt. Zoals er binnen de NEV een sectie Hymenoptera is, zo is er binnen de BENHS BWARS. Vroeger stond de S voor Scheme, sinds 1986 staat ze voor Society. Zoals veel van onze gegevens naar EIS gaan, zo gaan de BWARS gegevens naar de Biological Records Centre (BRC).
In 2005 verscheen de derde editie van het Member's Handbook van BWARS (ISBN 1 870393 1, 9 pond). Het boek, op A4 formaat, bestaat uit 11 sekties. Ik som ze even op zodat het belang van zo'n uitgave duidelijk wordt. De verschillende levenscycli van aculeaten en hun bescherming, verzamelen en prepareren, determineren (alleen een sleutel voor de sociale wespen), vastlegging gegevens, lokken- pollenanalyse- fotograferen, nuttige adressen (firma's, boekhandels, musea, societies), bibliografie, BWARS statuten, 'linke' chemicaliën, soortenlijst van de Britse aculeaten en vliegtijden en bijzonderheden van de Britse soorten. Wie lid wordt van BWARS ontvangt het Handbook gratis. Je wordt lid door via onze website (www.nev.nl/hymenoptera) naar de link BWARS te gaan. Je kan dan een aanmeldingsformulier uitprinten, invullen en opsturen. Het lidmaatschap kost 15 pond per jaar.
The British Potter and Mason Wasps van Michael E. Archer is eveneens een publicatie van BWARS (ISBN 0-9537992-0-4; 5 pond ?). Het is de tweede editie (2003) van dit boekje in A5 formaat over de Eumeninae, de urntjes- en metselwespen. Het bevat een tabel voor de 22 Engelse soorten, verspreidingskaarten en veel informatie over de biologie. Ik denk dat het voor de plooivleugelliefhebber een waardevol boekje is.
Zo redelijk intensief de aculeatencontacten zijn met onze oosterburen zo minimaal zijn ze met deze eilandbewoners. Het wordt tijd dat onze sectie de banden met onze Britse collega's eens wat gaat aanhalen. Laat dit stukje daartoe een eerste aanzet zijn.
This hReview brought to you by the hReview Creator.
De tabel vormt een onderdeel van een onderzoeksproject van de Universiteit van Gent onder leiding van Dries Laget en professor Jacobs, om de solitaire bijen in Vlaanderen beter in kaart te brengen. Daarbij werden in het voorjaar van 2005 nestkastjes voor wilde bijen met een handleiding verspreid over meer dan 400 enthousiaste medewerkers (voor meer informatie over dit project zie www.zoofysiologie.ugent.be). Als je bijen in kaart wil laten brengen is het handig te beschikken over een determinatietabel om de soorten op naam te brengen, en dat is precies waarin dit boekje voorziet.
Het boekje bevat, naast een literatuurlijst (waarin meer literatuur staat dan waar naar wordt verwezen in de tekst) en een index, grofweg drie delen. Een inleiding waarin kort de biologie, de bestudering en determinatie van solitaire bijen worden besproken. Tevens wordt kort ingegaan op de verschillen tussen zweefvliegen, wespen, hommels en solitaire bijen. Daarna volgt een deel met determinatietabellen. Dat deel begint met een generatabel voor 33 bijengenera in België. Het is voor de volledigheid natuurlijk jammer dat de hommels (genus Bombus) in de generatabel ontbreken. Tevergeefs zoek je ook naar het genus van de langhoornbijen Tetralonia, waarvan in België geen soort bekend is en bij ons wel eentje. In de generatabel staan daarentegen wel weer twee bijen die we uit Nederland niet kennen, namelijk de Grauwe bijen van het genus Rhophitoides (vertegenwoordigd door de soort R. canus) en de Tweetandige bijen van het genus Dioxys (vertegenwoordigd door de soort D. tridentata). In een overzichtstabel worden op één bladzijde aan de hand van tekeningen (vooral achterlijven van vrouwtjes) en enkele morfologische en gedragskenmerken de acht genera die in nestkasten nestelen gekarakteriseerd.
Daarna volgen tabellen waarmee je 62 bijen uit 8 genera (Anthidium, Chelostoma, Coelioxys, Heriades, Hylaeus, Megachile, Osmia en Stelis) tot op soort kunt determineren. Alleen de soorten waarvan bekend is dat ze in nestkasten met boorgaten of holle stengels nestelen zijn opgenomen. Voor de soorten is de naamlijst van Rasmont et al. 1995 geraadpleegd. Het derde deel van het boekje bevat beschrijvingen van de soorten in de acht bijengenera die in kunstnesten kunnen worden aangetroffen. Ik had geen tijd genoeg om de tabellen uit te proberen dus kan jullie hier helaas niet vertellen of ze goed werken en tevens heb ik niet alle informatie in het boekje gecontroleerd op juistheid.
Wel kwam ik enkele kleine foutjes en onduidelijkheden tegen in de tekst en worden er enkele andere (soms verkeerde) begrippen gebruikt dan bij ons gebruikelijk is, maar daar wil ik hier niet teveel over zeuren. De boodschap van het boekje is duidelijk: waarnemers stimuleren zich op solitaire bijen te richten en nieuwsgierig te worden naar die prachtige dieren.
Het aardige van deze uitgave is tevens dat ze is verschenen in het tijdschrift van de Belgische Jeugdbond, waardoor vooral ook jongeren worden bereikt.
Met dit boekje heeft Dries weer een steentje bijgedragen aan het enthousiasmeren van mensen en hulpmiddelen te bieden waarmee ze zelf verder kunnen. In de nabije toekomst zullen de onjuistheden en de achterstand in kennis wellcht snel worden rechtgezet en kunnen we nog veel verwachten van onze zuiderburen op bijengebied. Ik wens ze veel succes met hun bijenproject en ben zeer benieuwd naar de resultaten.
This hReview brought to you by the hReview Creator.