De volgende boeken worden hieronder besproken:
Een nieuw boek van Paul Westrich en zoals gewend van hem, is dit boek rijk geïllustreerd met fraaie foto’s. Het is in feite een inleiding op de wilde bijen, die begint met een uitvoerig hoofdstuk over wat wilde bijen zijn. Vervolgens worden de groepen bijen voorgesteld, ingedeeld naar hun manier van broedzorg: solitaire bijen, sociale bijen, parasitaire bijen.
Hij bespreekt waar en wanneer je wilde bijen kunt vinden, hierbij worden verschillende leefgebieden van wilde bijen met foto en tekst voorgesteld. Een apart hoofdstukje gaat over de slaapgewoonten van wilde bijen. Daarna wordt de relatie tussen de mannetjes en bloemen besproken.
De nestbouw op zich komt niet zo uitgebreid aan de orde, wel bij verschillende soortbesprekingen. In twee hoofdstukken wordt uitgelegd op welke verschillende soorten plekken de vrouwtjes hun nest willen bouwen en wat ze daarvoor aan plantenmateriaal gebruiken. Het verzamelen van stuifmeel door de vrouwtjes wordt uitgelegd met voorbeelden van polylectische en oligolectische soorten. In het kort worden de bedreiging en beschermng van bijen (in Duitsland) behandeld.
Ruwweg een derde van het boek gaat over de mogelijkheden die mensen hebben om iets voor de wilde bijen te doen. Met een heel uitgebreid hoofdstuk over mogelijke beplanting in de tuin of op het balkon, waarbij ook aangegeven wordt wat niet geschikt is. Het zelfde geldt voor het aanbieden van nestgelegenheid, hier gaat Westrich uitgebreid op in. Diverse manieren van nesthulp worden besproken en getoond, maar ook wordt aangegeven wat juist niet goed is. Hij heeft een determinatietabel opgenomen op grond van de afsluitingen van de nesten.
In een apart hoofdstuk wordt een aantal soorten bijen, dat in nesthulp kan nestelen, besproken en vooral met foto’s voorgesteld. Nagenoeg al deze soorten komen ook in ons land voor. Daarna worden enkele andere insecten voorgesteld, die van de nesthulp of de daarin nestelende bijen profiteren: graafwespen, goudwespen, sluipwespen, metselwespen, knotswespen, vliegen, kevers en mijten. In dit hoofdtuk gebruikt Westrich wel verschillende termen door elkaar, met weinig systematiek (raubparasiten, schmarotzer, brutparasit, raubschmarotzer, futterschmarotzer).
Het mogelijke steken door wilde bijen wordt uitgelegd. Verder geeft hij enkele literatuurtips. Ten aanzien van de wetenschappelijke namen moet wel een kritische noot geplaatst worden. In zijn hang naar eenvoud heeft Westrich veel oude namen gebruikt en alle genera van de Osmiinae, zoals Osmia, Hoplitis, Heriades, Chelostoma gesynonimiseerd tot Osmia. Verder is de naam Dipogon hircanum oud, deze heet tegenwoordig Dipogon bifasciatus.
Conclusie
Is dit een boek voor de doorgewinterde bijenkenners? Ja en nee. Als je de boeken van Westrich (1989 I en II) hebt, kun je dit boek wat betreft de kennis over wilde bijen achterwege laten. Zeker wat betreft de nomenclatuur is het in vergelijking met zijn vorige werk een stap terug. Wil je echter meer doen voor wilde bijen (en wespen) in je tuin of op je balkon, dan biedt dit boek wat meer informatie.
Het boek is eigenlijk geschreven voor mensen (leken) die meer van wilde bijen willen weten en iets voor het behoudt van deze dieren willen doen.
Zeker in het kader van het jaar van de bij (2012) naar ons idee toch een zinvolle uitgave.
Dit is een wat bijzondere boekbespreking aangezien ik het Zweeds niet echt machtig ben kan ik de tekst maar beperkt beoordelen. Toch is dit boek een feest om in te bladeren voor iemand die geïnteresseerd is in bijen. Een mooi vormgegeven boek van 160 pagina’s met harde kaft voor een redelijke prijs (SEK 198); een dergelijk boek zou de belangstelling voor hommels in Nederland behoorlijk kunnen stimuleren. De ondertitel ‘Zo kunt u ze herkennen in de natuur – of in de tuin’ zou in Nederland wat minder recht van spreken hebben omdat bij de determinatie vooral van kleuren gebruik gemaakt wordt. Wat in Zweden makkelijker kan dan in onze streken omdat er binnen de soorten minder kleurvariatie voor lijkt te komen.
Het hoofdstuk over de soorten, gesplitst voor de sociale en de koekoekshommels, begint met een determinatie tabel. Daarna is er per soort een uitgebreide beschrijving. Die begint met de verspreiding en het habitat in Zweden. Zeker voor mensen die de geografie van Zweden niet goed kennen is het jammer dat de verspreiding niet met een kaartje maar beschrijvend weer wordt gegeven. Het tweede blok gaat over het uiterlijk met ook schematische weergaven van de kleuren van koningin en mannetje. Daarna is er, indien nodig, een uitgebreid hoofdstuk over het risico de soort met een andere soort te verwarren en afwijkende kleurvormen. De beschrijving wordt afgesloten met een commentaar. De soorttekst is ook voorzien van een uitstekende foto.
Ook de andere hoofdstukken zijn rijk van goede foto’s voorzien. Waar bestudeer ik hommels? Wanneer bestudeer ik hommels? Hoe bestudeer ik hommels?; Hommels in de tuin, Hoe gaat het met de hommels? Kortom een fraai boek zeker voor wie in Zweden naar hommels wil gaan kijken.
Er is veel veranderd op mierengebied na het uitkomen van de ’Mierenfauna van de Benelux’ van J.K.A. van Boven uit 1986. Jarenlang onderzoek heeft geresulteerd in wijzigingen in wetenschappelijke namen, toekenning van Nederlandse namen aan alle mierensoorten en een grote hoeveelheid nieuwe gegevens omtrent onze mierenfauna. In totaal komen 106 mierensoorten voor in de Benelux en de aangrenzende Duitse deelstaten, Denemarken en Groot Brittannië. In Nederland kunnen 67 inheemse mierensoorten worden aangetroffen en 13 exoten die zich min of meer hebben weten te vestigen. Vele vaak niet in de vrije natuur maar in verwarmde gebouwen zoals kassen, huizen of hotels. Deze zijn allemaal verwerkt in een nieuw determinatieboekje voorzien van uitgebreide soortbeschrijvingen, determinatietabellen en een bijlage van ongekende waarde.
Het boek is opgebouwd uit drie delen, te beginnen met beschrijvingen van de soorten, subgenera, genera, tribi en subfamilies. Met informatie per soort over nest en leefomgeving, voortplanting, kolonies, relaties, predatie en status is een schat aan kennis overzichtelijk bij elkaar gebracht. Wel dient vermeld te worden dat de soortbeschrijvingen vrijwel steeds betrekking hebben op Nederland. Eenzelfde mierensoort kan elders in Europa een ander gedrag vertonen, een andere habitatvoorkeur hebben, relaties hebben met andere planten of dieren, enzovoorts. Tevens is bij vrijwel iedere soort een korte beschrijving gegeven over mogelijke problemen bij de determinatie. Is er bijvoorbeeld verwarring mogelijk met sterk gelijkende soorten en waar dient dan specifiek op gelet te worden. Het geheel wordt aangevuld met prachtige detailfoto’s van mieren bestaande uit een overzichtsfoto vanaf de zijkant en een detailopname van de kop. Deze foto’s en foto’s van nog vele andere mierensoorten zijn ook terug te vinden op www.antweb.org, een aanrader!
In het tweede deel passeren alle soorten nogmaals de revue, ditmaal in de vorm van determinatietabellen. De vele ‘simpele’ tekeningen geven duidelijk weer wat er in de sleutel wordt bedoeld. Dit is, aldus de auteur, ook precies de bedoeling geweest van dit werk, eenvoudige tekeningen met handige pijltjes gericht op die kenmerken die van belang zijn. Met dit werk kun je zonder lastige metingen van allerlei lichaamsdelen toch komen tot een betrouwbare determinatie. Al met al een prima determineerwerk voor zowel professionals als jonge aanstromende myrmecologen en studenten! Bijzonder van deze tabel is ook dat naast werksters en wijfjes/koninginnen ook de mannetjes worden behandeld. In veel determinatie werken worden deze buiten beschouwing gelaten vanwege lastige determinatie. Met dit werk kunnen bijna alle mannetjes mieren gedetermineerd worden tot op soort. De lastige genera Plagiolepis en Temnothorax en subgenera Lasius (Cautolasius) en Lasius (Chthonolasius) zijn niet verder te determineren.
Tenslotte het derde deel van het boek, de bijlagen. In de literatuur en bronnen is een mooi overzicht te vinden van beschikbare literatuur en internetsites over mieren. Zeer waardevol is de lijst van mieren en biotooptypen in Nederland. Per biotooptype wordt een overzicht gegeven van kenmerkende, indicatieve en aanvullende soorten. Kenmerkende soorten komen in andere biotooptypen niet of nauwelijks voor. Indicatieve soorten hebben hun zwaartepunt en de hoogste dichtheden in dit biotooptype, maar komen ook in andere biotopen voor. Aanvullende soorten worden min of meer regelmatig in dit biotooptype aangetroffen en hebben vaak hun zwaartepunt in andere biotopen. Ook is een vrij gedetailleerde lijst opgenomen van perioden van in Nederland waargenomen zwermbewegingen van gevleugelde mieren (mannetjes en of wijfjes). Tenslotte vinden we een opsomming van alle in de Benelux waargenomen soorten plus inheemse soorten in omringende landen waaronder de Duitse deelstaten. Per soort is aangegeven in welke landen de soort is aangetroffen en of deze hier inheems dan wel exoot is. Het boek wordt afgesloten met een zeer uitgebreide begrippenlijst en tekeningen met afkortingen van alle onderdelen van mieren zoals die gebruikt worden in de determinatietabel.
Een zeer raadzame en bovenal bruikbare tabel om alle mieren van de Benelux op naam te brengen.
Aan het eind van 2010 is in de serie Fauna Helvetica nummer 26 verschenen; het zesde deel van de tabellen voor de bijen van Zwitserland. Een serie waarvan bijna alle andere delen ook in onze nieuwsbrief besproken zijn; deel 1 (Peeters 1998), deel 2 (Peeters 2000), deel 3 (Peeters 2003) en deel 5 ( Smit 2008).
In dit zesde deel worden de genera Andrena, Melitturga, Panurginus en Panurgus behandeld. Daarvan komen Melitturga en Panurginus niet in ons land voor. Het boek bestaat uit twee delen, een in het Duits en een in de Franse taal.
De tabellen zijn goed, duidelijk en voorzien van fraaie tekeningen, die veel verduidelijken. Bij het zesde couplet van de Andrena-tabel moet je kiezen op de kleur van de ‘endfranse’ (fimbria bij v.d. Vecht), daarvoor is een vijftal tekeningen in kleur afgebeeld. Ik heb slechts met enkele Andrena’s de tabel uitgeprobeerd, maar mij beviel het tot zover goed. Daar waar soorten op de grens zitten of er twijfels mogelijk zijn over de keuze, zijn deze soorten meestal in beide routes opgenomen.