Een Selectie Uit
Menno Reemer, Theo Peeters,
Theo Zeegers, Willem Ellis
European Invertebrate Survey
1999
Bij de in dit rapport uitgevoerde analyses is in eerste instantie uitgegaan van het databestand van EIS-Nederland. In dit bestand zijn van sommige terreinen van Natuurmonumenten veel gegevens aanwezig, maar veel andere gebieden zijn nauwelijks of geheel niet vertegenwoordigd. Hierdoor kunnen alleen de gebieden waarvan gegevens voorhanden zijn als 'belangrijk gebied' worden aangemerkt op grond van de soortenrijkdom. Dit betekent niet dat de slecht onderzochte gebieden niet belangrijk zijn. Hier is in dit rapport rekening mee gehouden door zowel op basis van het databestand als de biotoopgegevens van de onderzochte terreinen een overzicht te maken van belangrijke biotopen. Door deze gegevens te 'extrapoleren' naar de niet en slecht onderzochte gebieden kan ook een indicatie verkregen worden van het belang van deze gebieden. Een lijstje van 'veelbelovende' slecht onderzochte gebieden wordt hier weergegeven:
Een andere beperking van het bestand is de onevenwichtige spreiding van de gegevens in de tijd. Uit sommige gebieden zijn voornamelijk oude gegevens bekend. Dit heeft tot gevolg dat enkele gebieden slechts op basis van 'vergane glorie' als belangrijk bijenterrein worden aangemerkt. EIS-Nederland beschikt niet over gegevens van de kwaliteit van terreinen in vroege en recente perioden. Daarom was het moeilijk om aan te geven welke van deze terreinen waarschijnlijk nog steeds waardevol zijn, en welke niet. Om enigszins aan dit probleem tegemoet te komen, is tevens een lijst opgesteld met de terreinen waarin vanaf 1980 de meeste soorten zijn gevangen:
| aantal kwetsbare soorten tot 1980 number of threatened species up to 1980 |
Terrein Territory |
Oz. Quality of inventory: G=good, M=fair, S=poor |
|---|---|---|
| 57 | Sint-Petersberg | G |
| 26 | Grensmaas | G |
| 23 | Brunssummerheide | G |
| 16 | Groeve Sweijer | G |
| 14 | Geuldal | G |
| 13 | Nat. Park Veluwezoom 1 | G |
| 11 | Loonse en Drunense Duinen | G |
| 9 | Zwanenwater | G |
| 9 | Berghofweide | G |
| 8 | Nat. Park Schiermonnikoog | G |
| 8 | Schinveldse Bossen | G |
| 7 | Bantam | S |
| 6 | Slot Haamstede | M |
| 5 | Kampina | S |
| 5 | Mantingerveld | S |
| 5 | Nat. Park Dwingelderveld | S |
| 4 | Mechelderbeekdal | G |
| 4 | Koningshof | G |
| 4 | Fochteloërveen | S |
| 3 | Mantingerbos- en weiden | G |
| 3 | Hoge berg | M |
| 3 | Mokerheide | S |
| 3 | Berkenheuvel | S |
| 3 | Nat. Park Zuid-Kennemerland | S |
| 3 | 't Molentje | M |
| 2 | Genhoes | G |
| 2 | Lage Land van Texel | G |
| 2 | Kotten | G |
| 2 | Leggelderveld | S |
| 2 | Bloemdijken van Z-Beveland | S |
Van de 338 uit Nederland bekende bijensoorten komen er 198 op de lijst van bedreigde soorten terecht. Deze lijst kan niet worden opgevat als een 'rode lijst' zoals deze voor andere insectengroepen is opgesteld. Daarvoor zijn de criteria niet strikt genoeg toegepast en bovendien zijn er geen verschillende categorieën gehanteerd om de mate van bedreiging aan te geven. Hier dient de lijst slechts als handvat om de bijenfauna van de terreinen van Natuurmonumenten te beoordelen.
Aan de hand van gegevens over het bloembezoek van zowel honingbijen als wilde bijen is geprobeerd een idee te krijgen van de mate waarin de honingbij een bedreiging vormt voor de verschillende bedreigde soorten. Dit bleek met de beschikbare gegevens niet mogelijk. In het algemeen kan gesteld worden dat honingbijen voor elke andere bijensoort bedreigend kunnen zijn als zij in hoge dichtheden voorkomen. Er zijn vrijwel geen bloemen die wel door wilde bijen bezocht worden, maar niet door honingbijen. In minder hoge dichtheden zijn het vooral de oligolectische soorten die onder de aanwezigheid van de honingbij te lijden hebben, omdat zij weinig uitwijkmogelijkheden hebben als hun voedselplant veel door honingbijen bezocht wordt. Het is moeilijk om aan te geven welke oligolectische soorten relatief veel last zullen hebben van de honingbij.
Algemene eigenschappen van een goede bijenbiotoop zijn: open, bloemrijk, droog en gevarieerd. Droge kruidenvegetaties, schraallanden, droge heide, stuif-, kust en rivierduinen en groeven voldoen aan deze eigenschappen en dit zijn dan ook de belangrijkste biotopen.
In typische kustbiotopen als schorren, kwelders en kustduinen komen enkele zeer bijzondere soorten voor. Hoewel deze biotopen niet bijzonder soortenrijk zijn, moeten ze toch als belangrijk worden aangemerkt.
Bij de bepaling van de belangrijkste planten voor de voedselvoorziening is rekening gehouden met het aantal soorten dat op de betreffende plant(engroep) voedsel verzamelt, maar ook met de binding die de afzonderlijke bijensoorten met de planten hebben.
De voor bijen belaangrijkeste plantenfamilies:Daarnaast bleken er enkele plantensoorten en -genera verhoudingsgewijs ook zeer belangrijk voor wilde bijen.
De belangrijkste plantensoorten en -genera:
In de conclusies worden de belangrijkste terreinen van Natuurmonumenten voor de bijenfauna genoemd. In deze gebieden moet een beheer gevoerd worden dat gunstig is voor het behoud van deze fauna. Zolang niet is aangetoond dat de plaatsing van bijenkasten in en om deze terreinen geen effect heeft op de lokale bijenfauna, moet er zeer terughoudend worden omgegaan met het toelaten ervan. Hetzelfde geldt voor gebieden met een goede bijenbiotoop. Ook terreinen met grote groeiplaatsen van belangrijke voedselplanten moeten worden ontzien. Hieronder vallen gebieden met een geïsoleerde groep wilgen: dit is in sommige gebieden in het voorjaar de enige voedselbron voor bloembezoekende insecten. Verder kunnen bijenvolken beter geweerd worden uit kleine terreinen die geïsoleerd liggen in grote 'cultuursteppen' (bijvoorbeeld maïsvelden). Dergelijke terreintjes zijn vaak het enige toevluchtsoord voor wilde bijen, en kunnen ook als 'stepping stone' tussen andere gebieden dienen.
Voor verdere aanbevelingen zie onze brochure Eerste Hulp voor Wilde Bijen