oude heideakker

Honingbijen

 

Standpunt Staatsbos- beheer t.a.v. het plaatsen van Honingbijen

Standpunt

Staatsbosbeheer is terughoudend met het plaatsen van nieuwe, gehouden honingbijvolken in haar terreinen, met name als het gaat om gebieden met een reeds rijke of bijzondere bijenfauna.

Deze terughoudendheid is noodzakelijk zolang het ontbreekt aan voldoende wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat gehouden honingbijvolken géén negatieve invloed hebben op de overige wilde bijensoorten en andere bestuivers.

In gebieden waar reeds jaarlijks bijenvolken geplaatst worden zal Staatsbosbeheer de huidige afspraken met imkers continueren. Waar momenteel bijenvolken op een ongewenste locatie zijn/worden geplaatst, zal Staatsbosbeheer de betreffende imkers alternatieve locaties aanbieden.

Toelichting

Het gaat slecht met de honingbij in Nederland. De honingbij, maar ook andere bijensoorten in Nederland hebben een belangrijke functie in ecosystemen; ze bestuiven vele plantensoorten, waaronder ook cultuurgewassen. Helaas is er niet voldoende onderzoek gedaan naar de mogelijke negatieve effecten van het plaatsen van gehouden honingbijvolken op de andere aanwezige wilde bijenvolken, waarmee het eveneens slecht gaat. Zolang deze effecten onduidelijk zijn, is Staatsbosbeheer terughoudend met het plaatsen van nieuwe honingbijvolken in haar terreinen.

Momenteel stelt Staatsbosbeheer een deel van haar terreinen open voor gehouden honingbijen. Dit gebeurt door het plaatsen van kasten in en om onze terreinen. Daarbij moeten de volgende voorwaarden worden gehanteerd om eventuele aanwezige natuurlijke bestuivers niet te bedreigen:

  • Er moeten lage dichtheden aangehouden worden:
    • maximaal 0,5 volk per hectare tijdens de hoofdbloeiperiode van struikheide;
    • maximaal 0,25 volk per hectare tijdens de hoofdbloeiperiode van dopheide en bosbes;
    • maximaal 0,5 volk per hectare tijdens de hoofdbloeiperiode van lamsoor;
    • maximaal 0,1 volk per hectare tijdens de hoofdbloeiperiode van wilgenroosje;
    • maximaal 0,75 volk per hectare tijdens de hoofdbloeiperiode van linde of wilg;
    • buiten de hoofdbloeiperiode van deze soorten of geen van de bovenstaande massale bloeiplanten aanwezig, dan maximaal 3 volken per 100 ha, mits veel andere bloeiende planten aanwezig.
  • Geen plaatsing van kasten in jaren met een beperkte bloei van de drachtplanten, bijvoorbeeld bij aantasting van stuikheide door het heidehaantje of door vorst.
  • Plaatsing geconcentreerd langs de randen van het gebied en zeker niet bij bekende nestellocaties van wilde bijen of potentiële nestelplekken van andere bijensoorten.
  • Let op bijenkasten die net buiten onze terreinen geplaatst zijn, maar waarvan de bijen wel vliegen in ons terrein. Is dit veel het geval, halveer dan de aantallen kasten van bovengenoemde richtlijnen.
  • Als in natuurgebieden relictpopulaties van zeldzame soorten voorkomen die uit Nederland dreigen te verdwijnen, moeten binnen 1,5 kilometer van deze locaties helemaal geen bijenkasten geplaatst worden. Gebruik als leidraad Rode Lijst bijen 2004.
  • Het werken met de inheemse zwarte honingbij moet zoveel mogelijk worden gestimuleerd.

Daarnaast kunnen we in het algemeen de volgende maatregelen voor wilde bijen nemen:

  1. Het handhaven van nestelplaatsen als zandpaden (ipv asfalteren / houtsnippers)
  2. Uitgesteld en/of gefaseerd maaien (niet klepelen!)
  3. Extensieve begrazing om de voedsel- beschikbaarheid te waarborgen.
  4. Het uitnodigen van (amateur-) entomologen en verlenen van toegang aan onze terreinen voor inventarisatie en onderzoek naar wilde bijen.

Context: Waarom dit standpunt?

Staatsbosbeheer draagt zorg voor de aan haar toevertrouwde natuurgebieden en de biodiversiteit daarin. Het plaatsen van gehouden honingbijen zou een negatieve invloed kunnen hebben op andere wilde bijensoorten. Meer onderzoek hiernaar is echter nodig.

Staatsbosbeheer onderkent het groeiende probleem van de bijensterfte.

De laatste jaren neemt de sterfte van de gehouden bijenvolken steeds meer toe, ook in ongebruikelijke jaargetijden. Dit geldt wereldwijd en niet alleen voor Nederland. Dit is zorgwekkend omdat honingbijen zeer belangrijk zijn voor de bestuiving van cultuurgewassen (80-90 % wordt door gehouden dieren bestoven. Oorspronkelijk met honingbijen, maar tegenwoordig ook steeds meer met gekweekte solitaire bijen en ook met gekweekte hommels) De waarde van de bestuiving in Nederland door honingbijen van cultuurgewassen wordt geschat op €1 miljard. Andere bestuivers zoals wilde bijen en (zweef)vliegen spelen slechts een beperkte rol in de agrarische sector en kunnen vanwege hun andere leefwijze de rol van de honingbij niet overnemen. De afname van de honingbij is dus in de eerste plaats een potentieel financieel probleem voor de agrarische sector.

In Nederland komen echter ook vele soorten wilde bijen voor. Bijenvolken (wild en gehouden) kunnen elkaar theoretisch gezien beconcurreren wat betekent dat het zwakste volk wordt verjaagd en/ of het niet overleefd. Wilde bijenvolken zijn zeldzamer, kleiner en daardoor vaak ook zwakker dan de gehouden bijenvolken. Daarom vindt Staatsbosbeheer het belangrijk om enige voorzorgsmaatregelen te nemen.

Veel-gestelde vragen (V&A)

  • (V) Wat is de honingbij precies voor soort?
    • (A) De honingbij (Apis mellifera) is een inheemse soort die vermoedelijk na de laatste ijstijd (8.000 jaar geleden) Nederland bevolkte. De honingbij wordt sinds de Romeinse tijd gehouden in Europa. Vanaf die tijd kwamen gehouden honingbijen en wilde honingbijen gezamenlijk naast elkaar voor. Kruisingen tussen beiden, het ontsnappen van gehouden zwermen en vangsten van wilde zwermen, zorgden er volgens deskundigen voor dat er weinig genetisch verschil bestaat tussen beide groepen. Inmiddels wordt aangenomen dat de wilde (zwarte) honingbij niet meer voorkomt in Nederland (en grote delen van Europa).

  • (V) Wat zijn de oorzaken van de afname van honingbijen?
    • (A) Aanvankelijk nam de honingbij af als gevolg van de afname van het areaal natuur, de schaalvergroting en intensivering van de landbouw en de toename van de menselijke bevolking;
    • (A) De nekslag voor de wilde honingbij is waarschijnlijk de opkomst van de uit Azië afkomstige varroamijt geweest in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Door deze mijt worden bijenvolken nog vatbaarder voor andere virussen en bacteriën;
    • (A) De kruising van de inheemse ondersoort met andere ondersoorten. Naast het genetisch verloren gaan van de inheemse soort heeft dit mogelijk ook de vatbaarheid voor ziekten vergroot;
    • (A) Ook andere ziekten spelen een (vermoedelijk mindere) rol zoals nosema-parasieten;
    • (A) Bestrijdings- middelen worden eveneens dikwijls genoemd, maar spelen een kleinere en meer lokale rol;
    • (A) Tevens speelt de verminderde professionalisering (en vergrijzing) van de imkerij een negatieve rol;
    • (A) Plaatselijk kan de aanwezigheid van te grote aantallen honingbijenkasten ook leiden tot verdringing van wilde bijensoorten;
    • (A) Vooral het eerste punt is er de oorzaak van dat het grootste deel van de ongeveer 350 in Nederland voorkomende wilde bijen achteruitgaan;

  • (V) Wat zijn de gevolgen van de afname van honingbijen?
    • (A) Met de afname van de honingbij verdwijnen geen planten uit Nederland. Maar de achteruitgang van alle bestuivende insecten (dus niet alleen de honingbij) leidt tot onherstelbaar verlies aan biodiversiteit waarbij zeker planten gaan verdwijnen. 80% van de plantensoorten behoeft insectenbestuiving. De rol van de honingbij als bestuiver in de natuur is niet goed bekend, maar geschat wordt dat 10% van de planten in natuurgebieden door honingbijen bezocht wordt, hoewel al deze planten ook alternatieve bestuivers hebben
    • (A) Het huidige aantal honingbijvolken in ons land biedt voldoende zekerheid voor het voortbestaan van de soort, maar niet automatisch voor de inheemse ondersoort. Het is van belang dat zoveel mogelijk wordt gewerkt met lokaal voorkomende ondersoorten en dat de uitgezette dieren niet meer met parasieten en ziekten zijn belast dan in het wild gebruikelijk is.

  • (V) Welke onderzoeken lopen er nu?
    • (A) Op het moment vindt weinig onderzoek plaats naar de specifieke relatie, en eventuele concurrentie, tussen honingbijen en wilde bijen. Ook mogelijkheden voor hervestiging van wilde honingbijen wordt in Nederland niet onderzocht, net als de exacte ecologische waarde van de honingbij voor de Nederlandse natuur. Hier liggen dus nog kennisleemten.
    • (A) Wel wordt er veel onderzoek gedaan naar de sterfte onder honingbijen. Zo werd er op 29 mei 2009 door de Minister van LNV bekend gemaakt dat zij de komende drie jaar in totaal €1 miljoen beschikbaar stelt voor onderzoek naar de bijenhouderij en (oorzaken) van bijensterfte. In Europees verband is de European Food Safety Authority (EFSA) in januari 2009 gestart met een onderzoek naar de bijensterfte.

Publicaties

  1. Dr. T. Blacquière, (januari 2009). Visie Bijenhouderij en Insecten- bestuiving , analyse van bedreigingen en knelpunten.
  2. Visser, A., (juni 2010). Invloed van imidacloprid- residuen in oppervlaktewater op bijensterfte in Nederland.
  3. Westrich, P., 1989. Die Wildbienen Baden-Württembergs. I Allgemeiner Teil. - Eugen Ulmer Verlag, 1-431.
  4. Westrich, P., 1989. Die Wildbienen Baden-Württembergs. II Spezieller Teil. - Eugen Ulmer Verlag, 437-972.
  5. Rode lijsten Flora en Fauna. Ministerie van LNV, 2004

Feiten en cijfers

Nederlandse cijfers bijensterfte 2008: in Nederland werden van 820 imkers gegevens verzameld over 9847 ingewinterde bijenvolken. Daarvan bleken er in het voorjaar 2293 dood.

Het landelijk sterftecijfer voorjaar 2008 bedraagt 23,29 %. Deze sterfte is vergelijkbaar met voorjaar 2006 toen ook een kwart van de bijenvolken dood bleek. De sterfte blijkt zich zowel bij grote als kleine imkers te hebben voorgedaan. Alleen de imkers met 21 tot 80 volken scoren lager. Daarmee wordt een trend van de laatste jaren doorbroken waarbij de sterfte afnam, naarmate een imker meer volken had.

In 2009 namen burger en natuurbeheerder Jaap Molenaar, imker Peter Slootweg en wetenschapper Jeroen van der Sluijs samen het initiatief tot een petitie Stop de bijensterfte. De petitie was een reactie op de teleurstellende kamerbrief van minister Verburg en riep op tot het nemen van een breed pakket van maatregelen tegen bekende oorzaken. De minister wil alleen meer onderzoek laten doen en stelt maatregelen uit.