Een grote vuurvlinder

Landschap op de korrel

 

Landschap wordt gekenmerkt door ruimte en ruimtelijke verschillen. Je staat op een plek en je kijkt om je heen. Een klein stukje van het landschap zie je van dichtbij, een groter deel op wat grotere afstand, maar een totaal indruk van het landschap krijg je pas als je in de verte kijkt. Tegenwoordig kun je met een GPS-ontvanger de coördinaten aflezen van de plek waar je staat en als je deze invoert in de computer bij Google Maps krijg je een satellietbeeld te zien op de schaal van 1: 10.000 met een groene pijl erop die wijst naar deze plek. Dan zie hoe de omgeving tot op meer dan een kilometer afstand eruit ziet. Vervolgens kun je zover inzoomen dat je details binnen oppervlakten van een hectare te zien krijgt. Je kunt van schaal 1: 10.000 inzoomen tot op schaal 1 : 1.250. Verder inzoomen levert niets op, het beeld wordt te korrelig. Dan komt het er op aan wat je zelf dichtbij ziet. Op deze manier heb je een landschap achtereenvolgens op macroschaal, mesoschaal en microschaal bekeken. Nu is het de kunst om een landschap wat betreft de samenstellende onderdelen en de ruimtelijke patronen op een praktische manier te benoemen wil je er met anderen over kunnen praten. Dat benoemen van landschappen doen we al van jongs af aan, we hebben het over stranden, duinen, heidevelden, bossen, weiland en akkerland. Maar nu gaat het er om een landschap te leren zien als een woonplaats voor bepaalde soorten insecten. Het hangt dan van het soort insect af of het voldoende is om heel oppervlakkig een landschap op macroschaal te karakteriseren of dat je heel gedetailleerd tot op microschaal de bijzonderheden moet benoemen wil je kunnen aangeven of de situatie geschikt of ongeschikt is voor de betreffende insectensoort. Voor ieder insect apart moet je een landschap bezien vanuit zijn levensvoorwaarden. Natuurlijk kun je daarin forse vereenvoudigingen aanbrengen, een heleboel soorten zijn zo’n beetje van dezelfde condities afhankelijk. Je kiest er dan enkele van uit die je goed kent en die presenteer je dan als gids voor het herkennen van een bepaalde kwaliteit van een landschap. En dat kan dan zijn de grootte van het terrein, de variatie aan verschillende typen begroeiing, de ruimtelijk patronen waarin de verschillende vegetaties voorkomen of de fijne details die apart benoemd moeten worden.

In ieder landschap vind je ook plekken die in karakter overeenkomen met andere typen landschap. Een landschap mag dan wel gekenmerkt worden door een overwegende voorkomende begroeiing, reliëf of manier van landgebruik door de mens, er zijn daarin altijd kleine delen die lijken op een ander type landschap. Dat kun je benutten als je een landschap op de korrel neemt en je aandacht vanzelf richt op de verschillende onderdelen. Van plekken die overeenkomst vertonen met een andere type landschap kun je verwachten dat ze zullen lijken op nabije landschappen. Dat is logisch, dat is de samenhang tussen de verschillende landschappen die berust op geologische grondslagen of vormen van landgebruik door de mens. Voor de Nederlandse situatie kun je al goed uit de voeten met een indeling van zestien typen landschap en als je die uitzet in een matrix kun je gemakkelijk laten zien met welke typen van landschap er op kleine plekken overeenkomst te verwachten is.

In deze reeks is ook ‘water’ als achtste landschaptype opgenomen en dat is natuurlijk wel raar omdat in het geval dat ‘water’ als een landschap aangemerkt kan worden, er verder van het bovenwater landschap geen bijzonderheden te vermelden zijn. Maar als onderdeel van een terrein geeft de aanwezigheid van een water wel een bijzonderheid aan de kwaliteit van het landschap.

Een heideveld heeft zijn karakteristieke heidevennen, een bos zijn bosbeek, een weiland op veengrond zijn sloten. Dergelijke wateren spelen een heel belangrijke rol in het leven van libellen, steenvliegen, kokerjuffers en muggen.

omslag van het boek van Frits Bink, 'Ruimte voor Insecten'

In het boek ‘Ruimte voor insecten’ (Bink 2010) vind je in hoofdstuk 12 op bladzijde 109 een voorbeeld van zo’n matrix van landschapcomplexen.

Landschaptype 1 2 3 4 5 6 7 9 10 11 12 13 14 15 16
1 Kusten
2 Kwelders
3 Duinen
4 Stuifzanden
5 Heidevelden
6 Hoogvenen
7 Moerassen
8 Wateren [] [] [] [] [] [] [] [] [] [] [] [] [] []
9 Graslanden
10 Struwelen
11 Loofbossen
12 Naaldbossen
13 Weiland
14 Akkerland
15 Landelijk gebied
16 Stedelijk gebied

Als je op Google Maps of Google Earth de satellietbeelden bekijkt, kun je kiezen uit een hele reeks van verschillende schaalinstellingen. En daar kun je uitstekend gebruik van maken als je van een bepaald gebied het landschap wilt karakteriseren en bovendien als je een bepaalde diersoort op het oog hebt, hoe de dieren of hun populaties zich in de ruimte voordoen.

Instelling van de schaal Toepassing
1 : 625 niet bruikbaar, beeld te vaag
1 : 1.250 MICRO
1 : 2.500
1 : 5.000 MESO
1 : 10.000
1 : 20.000 MACRO
1 : 40.000
1 : 82.000 MEGA
1 : 164.000
1 : 329.000 kaart voor toeristisch gebruik
1 : 658.000 kaart geheel Nederland groot formaat
1 : 1,3 miljoen kaart geheel Nederland klein formaat
1 : 2,6 miljoen verspreidingskaartje groot formaat
1 : 5,3 miljoen verspreidingskaartje klein formaat
1 : 10,5 miljoen kaart Noordwest-Europa
1 : 18,5 miljoen kaart geheel Europa
1 : 37 miljoen kaart geheel Europa met Noord-Afrika