Een grote vuurvlinder,

Kleine beestjes langs de kust

 

Kleine beestjes en beheer

Doel van natuurbeheer is het instandhouden van de biodiversiteit die in de grote variatie van ecotopen in onze delta thuishoort. De grootste soorten rijkdom is te vinden onder de dieren zonder ruggengraat, de groep ongewervelde dieren omvat naar schatting 22.469 soorten. Er worden nog regelmatig nieuwe soorten in Nederland gevonden, soms zelfs voor de wetenschap. Nieuwe soorten voor Nederland zijn niet alleen het gevolg van de klimaatverandering, maar ook van nieuw onderzoek aan een diergroep of onbedoelde introductie van soorten.Voor het beheer zijn vooral bijzondere en gespecialiseerde soorten van belang. Zij geven een indicatie van het belang van een bepaald terrein. Bij het beheer wordt vooral aandacht besteed aan de maximaal 388 inheemse soorten gewervelde dieren en de 1499 vaatplanten. De 70 soorten dagvlinders en 64 libellen en waterjuffers krijgen ook enige aandacht. De hoge soortenrijkdom, lastige herkenbaarheid en geringe aaibaarheid spelen een rol bij de geringe aandacht. Gelukkig kunnen de eerste twee factoren redelijk makkelijk ontweken worden, bij veel beheersmaatregelen voor ongewervelde dieren maakt het niet veel uit welke soorten er precies zitten. Op de Korverskooi op Texel kon bijvoorbeeld na het aanpassen van het maaibeheer op de bloemrijke hooilanden, niet meer elk jaar alles maaien, na twee winters worden vastgesteld dat het aantal bruine zandoogjes was vertienvoudigd en dat er een populatie Sint Jansvlinders was gevestigd. Veilig is aan te nemen dat een groot aantal niet herkende en ongeziene kleine beestjes heeft mee geprofiteerd. De aaibaarheid is lastiger op te krikken al kan het lezen van Passie voor kleine beestjes daar misschien wat aan verhelpen. Vijfentwintig mensen die een groep vrijwilligers coördineren die onderzoek naar een groep ongewervelden doen gaan in een kort enthousiasmerend verhaal in op een bijzondere waarneming. Zoals het terug vinden van de beverluis een keversoort die in 1869 door Coenraad Ritsema voor het eerst in Nederland was beschreven, gevonden op een dode bever uit de Zoölogische Tuin van Rotterdam en nu dankzij de herintroductie ook weer in Nederland in het wild voorkomt.

Rekening houden met, soms beheren voor

De koers van het beheer hoeft zelden drastisch omgegooid te worden wanneer een beheerder aandacht wil besteden aan het grootste deel van de biodiversiteit waar zij of hij verantwoordelijk voor is. Bijna altijd is rekening houden met voldoende. Kleinschalige variatie in ruimte en tijd van het beheer van een beperkt deel van de beheerde oppervlakte (mozaïekbeheer) en voor het gevoel iets minder netjes werken kan al een wereld van verschil maken. Zo overwintert een deel van de kleine beestjes uit onze mooiste graslanden in of aan grassprieten en ander graslandplanten. Vaak zijn deze soorten slechts mondjesmaat onder de heining te vinden, als daar niet ook nog met de bosmaaier wordt gemaaid. Door op een jaarlijks wisselend stuk 10% van de oppervlakte niet te maaien kan de situatie opvallend verbeteren. Goede kans dat de orchideeën op het vorig jaar niet gemaaide stuk ook een stuk forser worden, ze hebben langer voedsel in de knol kunnen stoppen. Ook het hoger afstellen van de maaimachine verhoogd al de overlevingskans voor veel insecten die als ei, pop of larve (rups) overwinteren.

Een vergelijkbaar beheer is ook in water en op oevers gewenst. Door die niet volledig te schonen blijft er leefgebied voor veel soorten die beschutting nodig hebben of een deel van hun levenscyclus in of aan planten doorbrengen. Overjarig riet is niet alleen goed voor rietvogels, zo is er een vlinder waarvan de rups drie jaar in rietstengels leeft. Maar vooral het aantal spinnen kan spectaculair toenemen, zoals Ben Brugge vaststelde op het Kwadijkse Vlot. Oude rietgallen worden door maskerbijen en sommige graafwespen als nestgelegenheid gebruikt. Kortom door een iets aangepast beheer ontstaat een completer voedselweb op verschillende microniveaus.

Voor veel kleine beestjes zijn er twee factoren die door het beheer te beïnvloeden zijn vooral van belang; een plek voor de eieren en voedsel. Veel soorten leggen hun eieren, al dan niet voorzien van een voedselvoorraad in de grond. Een (bijna) kale bodem, die een behoorlijk deel van de dag door de zon beschenen wordt is voor veel soorten aantrekkelijk. Er zijn zowel soorten die een vlakke bodem als soorten die kale stijlrandjes prefereren. Randen van ruiterpaden worden bijvoorbeeld graag benut door graafwespen en de daarop parasiterende vliegen. Betreding kan ook geschikte biotopen opleveren. Soorten die in stengels en hout nestelen profiteren van het beleid om dood hout zoveel mogelijk in het bos te laten staan. Terugsnoeien van braamstruwelen levert veel holle stengels op die toegankelijk worden voor insecten die nestgelegenheid zoeken.

Niet natuurlijke concurrentie

Stuifmeel en nectar consumenten kunnen bovendien onnatuurlijke concurrentie hebben. Wanneer grote aantallen landbouwhuisdieren in een natuurreservaat worden toegelaten doen die een grote aanslag op het beschikbare voedsel. Honingbijen bevatten per volk grote aantallen individuen (30.000 - 50.000 in de zomer), ter wijl er zelden slecht één volk te gelijk wordt geplaatst. Bovendien kunnen honingbijen omdat ze elkaar opwarmen al eerder op pad dan de meeste andere stuifmeel- en nectarconsumenten die eerst door de zon moeten worden opgewarmd. Plaatsen van honingbijen zou daarom beperkt moeten worden tot periodes waarin traditionele drachtplanten massaal bloeien. In de duinen gaat het dan om struikhei in het Waddengebied en soms lamsoor of zeeaster op de kwelder. Plaatsing aan één rand van het gebied leidt daarbij tot een zonering van de foerageerintensiteit. Wanneer het uitgangspunt is dat de helft van het stuifmeel en de nectar beschikbaar moet blijven voor de wilde consumenten en er ook veel honingbijen die buiten het reservaat staan er komen grazen lijkt één volk per zuivere hectare drachtplant te verantwoorden. Maar waarom zouden deze landbouwhuisdieren in natuurgebieden vrij mogen voedsel zoeken terwijl we het vanzelfsprekend vinden dat honden dat niet mogen?

Het is zo makkelijk, dat het moeilijk wordt

Rekening houden met kleine beestjes in het natuurbeheer is dus vaak makkelijk. Jammer is dat het daardoor juist moeilijk wordt. Opnemen van acties in het beheerplan is een goed begin. Zorgen dat het een constante factor wordt in het beheerswerk is een stuk lastiger. Bijhouden dat een bepaald hooiland wordt gemaaid is goed te doen, dat dit niet helemaal gebeurd en volgend jaar ook, maar net iets anders valt niet mee. De rol van de individuele uitvoerder van het beheerwerk is groot en bij wisseling van mensen gaat het met de overdracht van dit deel van het beheer snel mis. De informatie moet daarom goed gedocumenteerd en vastgelegd worden. Dat de resultaten niet in het oogspringen en er vaak deskundige vrijwilligers nodig zijn om ons er op te wijzen maakt de uitdaging des te groter om inhoud te geven aan dit deel van ons werk. Uitleggen waarom we geen rekening houden met het grootste deel van de soortenrijkdom waar we verantwoordelijk voor zijn is een stuk lastiger, zelfs al is het aantal mensen dat ons er op aanspreekt maar beperkt.

Kleine beestjes langs de kust

De kust kenmerkt zich door een grote variatie aan biotopen, van nat tot droog; zout tot zoet; voedselarm tot voedselrijk in alle mogelijke combinaties. De vegetatiestructuur is al even gevarieerd, waarbij er relatief veel schrale vegetaties en opengrond aanwezig is. De variatie aan ongewervelde dieren is al even groot, waarbij een groot deel gebonden is aan een bepaalde kusthabitat, anderen profiteren juist van het milde kustklimaat. Vooral plaatsen waar de overgang van kust- naar binnenlandbiotopen compleet is, is een rijke fauna te verwachten met veel gespecialiseerde soorten.

Brakwater

Een aantal ongewervelden leven, in ieder geval een deel van hun leven, in brakwater. Sommigen zijn aan een specifieke zoutgraad gebonden en kunnen weinig veranderingen daar in verdragen. Vooral bij de reparatie of vervanging van sluizen op zoet-zoutovergangen kan het makkelijk misgaan. Al snel zal er minder zoetwater doorgelaten worden, waardoor brakwater- gemeenschappen vernietigd kunnen worden. Het spuien van zoetwater via normaal brakke greppels kan ook desastreus zijn. Brakke poelen kennen naar mate ze zouter zijn minder begroeiing, ze kunnen dan juist voor ongewervelden belangrijker zijn. Ook wanneer er in de zomer slechts een stinkende laag met algen bedekkende modder is te zien. Veel vliegen zijn tolerant of gespecialiseerd voor deze condities. Brakwater door zoute kwel doorlatende bodems onder dijken leveren een meer beschut brakhabitat de soorten rijkdom aan kleine beestjes kan hierdoor veel rijker zijn dan op plaatsen waar directe verbinding met de zee wel aanwezig is. Bij dijkverzwaring is het instandhouden van de zoute kwel van groot belang. Bij de dijkversteviging van het Molwerk op Texel is nadrukkelijk aandacht besteed aan het in stand houden van de zoute kwel naar De Petten. Een bijzonder biotoop vormen de zoutpannen, ondiepe poelen waar soms slechts een klein deel van het jaar water staat. Het aantal soorten dat hier kan leven is erg beperkt, maar juist hier zijn waarschijnlijk wel de heel zeldzame soorten te vinden.

Op de rode lijst staan: Basters drijfslak, brakwatermossel, opgezwollen brakwaterhoorn en vliezige drijfhoorn. Bedreigd zijn 1 wants, 1 bladhaantje, 2 wapenvliegen, 2 zweefvliegen, 1 kokerjuffer en ook de brakwater zeepok, brakwaterpoliep en het Zuiderzeekrabbetje.

Kwelder

Op alle kwelderniveaus zijn interessante gemeenschappen van ongewervelden te vinden. Daarbij is de hoge kwelder in het bijzonder waar die overgaat in duin- of zoetwaterhabitats het belangrijkste. Zo is de schorzijdebij voornamelijk buitendijks te vinden waar zeeaster groeit en duintjes aanwezig zijn. In deze zone kunnen ook soorten die alleen in de zomermaanden op de lage kwelder leven overwinteren. Naar mate de kwelder groter en gevarieerder is neemt het soorten aantal toe. Een groot aantal soorten maakt voor hun dispersie gebruik van zeetransport. Begrazing is een veel gebruikte beheermethode op kwelders, voor ongewervelden is die begrazing al snel te intensief. Juist belangrijke voedselplanten als zeeaster kunnen snel over begraasd worden. Aan de andere kant leidt het stoppen van begrazing makkelijk tot een dichte grasmat. Extensievering en mogelijk compartimentering, ook in tijd, van de begrazing is dan een betere oplossing. De zeeaster is de belangrijkste voedselplant voor insecten op de kwelder, andere belangrijke soorten zijn lamsoor en zeealsem.

Op de rode lijst staan: de moshommel, de endemische schorviltbij en de gastvrouw daarvan de schorzijdebij is een aandachtsoort. De Gray's kustslak en het muizenoortjes zijn slakkensoorten van de kwelder die op de rode lijst staan. Bedreigd zijn: 5 wantsen, 4 loopkevers, 3 knotskevers, 2 wapenvliegen, 4 dazen, 2 zweefvliegen, 2 prachtvliegen, 1 boorvlieg en 1 bladhaantje.

Strand

Langs de hoge vloedlijn kan een geheel eigen flora gevonden worden, speciaal in overstoven vloedmerken met veel organische stof. Naast generalisten onder de ongewervelden zijn hier ook specialisten. Hetzelfde geldt voor bewoners van de organische stoflaag. Vooral dikke lagen rottend materiaal kunnen soortenrijk zijn. De strandoproller een pissebed, wiervliegen en de strandkortschild leven in deze zone, bij schoonmaak acties is het van groot belang dat dit natuurlijk afval ongestoord blijft liggen. De larven van de heipaalkever leven ook in aangespoeld hout, terwijl loopkevers hier graag onder verstoppen. Kadavers van vogels en zeezoogdieren hebben hun eigen rijk gesorteerde fauna afhankelijk van de ouderdom en droogte van het kadaver. Verse kadavers worden vooral door vliegenmaden bezocht, terwijl spekkevers graag oude kadavers hebben. In het zand onder kadavers leven spiegelkevers en kortschildkevers van het vocht van kadavers. Op kadavers van zeezoogdieren doen kaasvlieglarven het goed, maar wie durft een dode bruinvis, dolfijn of potvis gewoon op het strand te laten liggen? Op de plaatsen waar zoetwater op (nagenoeg) kaal strand naar boven komt leven een aantal keversoorten.

Bedreigd zijn: 1 pissebed, 1 wants, 1 knotskever, 1 vlinder.

Duinen

Duinen behoren tot bij de beste biotopen voor warmte minnende ongewervelden, vooral dynamische duinen hebben een gevarieerde structuur met veel open grond. De grote afwisseling van droge tot natte, beschutten en geëxponeerde locaties geeft ruimte aan veel gemeenschappen van ongewervelden. Kalkrijke duinen zijn daarbij, deels door hun floristische rijkdom soortenrijker dan kalkarme duinen.

Droge duinen

Dynamische helmduinen zijn voor veel soorten belangrijker dan stabiele. Larven van de kleine junikever zijn er talrijker en hebben één in plaats van twee jaar nodig om volwassen te worden. Bij loopkever onderzoek in De Kerf werd vastgesteld dat pioniersoorten van gezonde witte duinen drie jaar nodig hadden om een geschikt geworden biotoop te vinden, terwijl dit in de natte vallei al na een jaar het geval was. Onze zeereep is kennelijk zo grondig vast gelegd dat pioniers van de dynamische zeereep met een lantaarntje gezocht moeten worden.

Bedreigd of op de rode lijst zijn: 1 sprinkhaan, 1 dagvlinder (heivlinder), 4 spinnen, 1 oorworm, 1 prachtvlieg, 3 loopkevers, 1 sluipvlieg, 1 platkopwesp en 2 tangwespen.

De grijze duinen hebben een gevarieerdere vegetatie en daardoor een hogere soorten rijkdom, voor al als er voldoende secundaire dynamiek is met het bijbehorende open plekken. Ruige rupsendoder jagen hier op rupsen, de grijze spinnendoder vang er wolfspinnen en kan er nesten aanleggen.

Op de rode lijst staan: 11 dagvlinders, 23 bijen, heislak en cylindrische korfslak. Bedreigd zijn 4 spinnen, 6 wantsen, 4 loopkevers, 2 snuitkevers, 2 bladhaantjes, de sneeuwspringer, 1 wapenvlieg, 2 boorvliegen, 3 vedermotten, 1 goudwesp, 1 mier en 4 spinnendoders.

Duinvalleien

In natte duinvalleien die in de winter inunderen kunnen veel soorten leven, vooral de kruipwilg is een belangrijke voedselplant. In het voorjaar leveren de katjes stuifmeel en nectar voor onder andere de grote zijdebij. Deze zijdebij nestelt in de droge duinen. De waterinsecten zijn juist aangepast aan de omstandigheden dat duinvalleien wisselende waterstanden hebben ook droogvallen. Uitgraven maakt deze soorten het leven onmogelijk.

Rode lijst soorten zijn 1 sprinkhaan, de donkere wilgen zandbij, rode barnsteenslak, nauwe korfslak en witte akkerslak. Bedreigd zijn 4 wantsen, 1 zweefvlieg, 2 prachtvliegen, 2 sluipvliegen, 3 loopkevers, 1 Scymaenide kever, 1 bladhaantje en 4 goudwespen.

Struwelen

Een beperkte hoeveelheid struweel in het duin is ook voor ongewervelden van belang. Er zijn soorten die aan bepaalde struiken gebonden zijn, terwijl andere soorten er nectar, beschutting of een winterverblijf in vinden. Zeker in het dode hout kunnen veel dieren leven en de gangen die daardoor ontstaan kunnen weer wespen en bijen nestelen. In Bosrandbeheer voor vlinders en andere ongewervelden is informatie te vinden over het beheer van dit biotoop inclusief afbeeldingen en verspreidingskaartjes van makkelijk te herkennen soorten die er van kunnen profiteren zodat het effect ook zonder grondige entomologische kennis is te monitoren.

Op de rode lijst staat de wijngaardslak en bedreigd zijn 1 duizendpoot, 2 wantsen, 1 loopkever, 1 Scymaenide kever, 1 boorvlieg, 1 vedermot, 1 platkopwesp en 2 tangwespen.

Begrazing

De meeste duinen werden in ieder geval in het verleden beweid. Nu worden grote oppervlakte begraasd, zeker na de meer dan decimering van de konijnen speelt begrazing een belangrijke rol. Vertrapping en grazen kunnen een gevarieerde vegetatiestructuur in stand houden. De mest geeft lokaal verrijking, waar nectar en stuifmeel producerende planten van profiteren. De rechthoornpillendraaier is een mestkever uit de duinen die de mest gebruiken voor hun larven. Mestkevers zorgen tevens voor een toename van de bodemvruchtbaarheid door de mest diep(er) in de bodem te brengen. Voorkomen van overbegrazing is van groot belang. Ook voor ongewervelden is het herstel van de konijnenpopulatie van groot belang. Hun gedrag bevorderd onder andere de aanwezigheid van eenjarige bloeiende planten als gewone ooievaarsbek waarop soorten als de grote reigersbeksnuitkever en wants Odontoscelis lineola. Ook de duinviooltjes profiteren van de kiemplekken die konijnen maken en het kort houden van gras geeft ze de gelegenheid om uit te groeien. Grote, duin- en kleine parelmoervlinder worden daarmee aan voedsel voor hun rupsen geholpen.

Betreding

Soms kan betreding door bezoekers een goed surrogaat zijn voor de vertrapping door grazers. Duinriet dat op veel plaatsen een verruiger is gevoelig voor betreding door mensen. Mensen hebben nog sterker dan dieren de neiging om paden te volgen die sterk kunnen uitslijten. Dit kunnen binnen een overigens begroeid gebied goede rust, zon en jachtterreinen zijn. De roofvlieg Philonicus albiceps jaagt hier graag. De minder intensief betreden randen met een spaarzame of lage begroeiing kunnen geschikte nestplaats bieden aan solitaire bijen en wespen die redelijk stabiel zand nodig hebben. De pluimvoetbij is een soort die talrijk kan zijn en goed te herkennen is. De larve van zweefvlieg Eumerus sabuonum (zandblauwtje zweefvlieg zou een passende Nederlandse naam zijn) leeft ondergronds van de wortels van zandblauwtje, vooral van planten die door betreding een kwijnend bestaan langs paden leiden. De soort is alleen nog uit Valkenisse en van één plek op Terschelling bekend. Steilrandjes langs wandel en ruiterpaden bieden ook veel soorten nest gelegenheid en zijn van belang voor mierenleeuwen die onder overhangende zode en planten hun vangkuilen maken.

Advies en informatie

De Nederlandse Entomologische Vereniging, NEV, heeft recent de werkgroep Thijsse opgericht die kort samengevat als doel heeft informatie over insecten en hun relatie met het beheer beschikbaar te stellen aan beheerders en vragen daarover van beheerders bij entomologen onder te brengen. Vragen kunnen gesteld worden via het forum dat te vinden is op de website www.nev/thijsse.

Literatuur

  1. Boer, Peter & Jinze Noordijk; 2005; Het effect van chopperen van kraaiheiden op de bodemfauna; Staatsbosbeheer Regio West, beheereenheid Texel; 12 p.
  2. Brugge, B., E. van der Spek & M. Kwak, 1998. Honingbijen in natuurgebieden? DLN 99 (2): 71-76.
  3. Ellis, W.N. (red.); 1989; Insektenfauna en natuurbeheer; Wetenschappelijke Mededeling KNNV nr 192; 210 p.
  4. Hof, Sjaak van 't. (red.); 1992; Minimilieus van minifauna; Stichting Landelijk Overleg Natuur- en Landschapsbeheer; 22p.
  5. Kirby, Peter; 2001; Habitat Management for Invertebrates; Joint Nature Conservation Committee; 150p.
  6. Kleukers, R., M. Berg & W. van Strien (red.); 2008; Passie voor kleine beestjes, 33,3 jaar Stichting EIS-Nederland; EIS-Nederland; 90p. Bestellen: EIS € 10,-
  7. Krawczynski, R. en H-G. Wagner, Naturschutz und Landschaftsplanung 40 (9) 2008, Leben im Tod, Tierkadaver als Schlüsselelemente in Ökosystemen.
  8. Lardinois, E., 2005, Dood doet leven de natuur van dode dieren.
  9. Veling, Kars, John Smit & Vivian Siebering, 2004. Bosrandbeheer voor vlinders en andere ongewervelde dieren. KNNV uitgeverij, 96 p.
  10. Weeda, E.J., W.A. Ozinga, G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis; 2006; Alterra-rapport 1418; Diversiteit hoog houden, bouwstenen voor geïntegreerd natuurbeheer; 246 p.
Links:
  1. Alterra.wur.nl
  2. Nederlandse- soorten.nl
  3. NEV.nl
  4. Vlinderstichting.nl
  5. Wildebijen.nl