Een grote vuurvlinder,

Minimilieus van minifauna

 

Het belang van zeer kleine landschaps- elementen als leefgebied van ongewervelde dieren

Commissie voor Inventarisatie en Natuurbescherming

van de Nederlandse Entomologische Vereniging

Redactie LONL-uitgave: Sjaak van't Hof

Uitgave van de

Stichting Landelijk Overleg Natuur- en Landschapsbeheer (LONL)
Donkerstraat 17
UTRECHT 3511 KB
030-340777

Publicatie met toestemming van

Landschapsbeheer
Utrecht
Landschapsbeheer
dec. 2009

VOORWOORD

In dit boekje wordt aandacht gevraagd voor het belang van microbiotopen voor ongewervelde dieren, in het bijzonder insekten.

Microbiotopen zijn landschapselementen met een grootte van enkele centimeters tot niet meer dan een aantal meters: van een konijnekeutel tot een braambosje.

Aan deze zeer kleine onderdelen van het landschap, te vinden in natuurreservaten, maar ook in openbaar groen en particuliere tuinen wordt in de regel weinig aandacht besteed. Vaak ten onrechte, zoals bij lezing van dit boekje zal blijken.

De oorspronkelijke tekst van deze brochure, geschreven door de Commissie voor Inventarisatie en Natuurbescherming van de Nederlandse Entomologische Vereniging, is eerder gepubliceerd in de KNNV-uitgave Insektenfauna en Natuurbeheer [W.N. Ellis ed., 1989].

Ten behoeve van deze LONL-publikatie is het manuscript enigszins bewerkt en aangevuld met enkele sprekende voorbeelden van "insektenbeheer" in de praktijk.

Een braamstruweel

Een braamstruweel geeft in de zomer dekking aan zangvogels, zoogdieren en reptielen. Maar de stevige, makkelijk uit te hollen stengels van de bramen zijn naar verhouding van nog veel groter belang voor zeer veel insektesoorten, zoveel voor het maken van nesten als voor overwintering.

1. INLEIDING

Bij de bescherming van ongewervelde dieren, zoals insekten, spinnen, wormen en slakken doen zich twee problemen voor die bij de bescherming van wilde planten en gewervelde dieren niet of in elk geval veel minder sterk spelen: er zijn veel meer soorten en hun leven speelt zich op een veel kleinere schaal af.

Tegenover de paar duizend soorten planten en gewervelde dieren die onze flora en fauna tezamen tellen, staan zo'n 25 duizend soorten ongewerveld kleingoed. Door het grote aantal soorten en ook door het feit dat de meeste in lichaamsgrootte tot de centimeter- of millimetercategorie behoren zijn de ongewervelde dieren als geheel bovendien véél slechter bekend.

Het spreekt vanzelf dat dergelijke kleine dieren in het algemeen een veel geringere actieradius hebben dan een vogel, een vos of zelfs een muis. Van sommige soorten komen individuen tijdens hun hele leven niet verder dan enkele decimeters. Dat geldt bijvoorbeeld voor insekten en andere ongewervelden die in de bodem leven. Veel landslakjes verlaten nooit de boomstam waar ze uit het ei zijn gekomen. En zelfs goed vliegende insekten als wespen, vlinders en vliegen komen tijdens hun larvale leven, dat veel langer duurt dan de enkele dagen tot weken van het volwassen bestaan, vaak niet veel meer dan een tiental meters van de plaats waar ze uit het ei kwamen.

Veel ongewervelde dieren hebben zich door hun geringe lichaamsgrootte kunnen specialiseren op heel bepaalde, kleine onderdelen van het natuurlijk milieu. Het duidelijkste voorbeeld daarvan wordt gevormd door al die talloze insektesoorten die gebonden zijn aan een beperkt aantal soorten voedselplanten (als het planteneters zijn) of gastheren (als het parasieten zijn); niet zelden vinden we zelfs specialisatie op één enkele soort. Grote dieren kunnen zich onmogelijk zo strikt specialiseren. Als een insekt zo groot zou zijn als een schaap zou er weinig kans bestaan dat het van slechts één soort voedselplant zou kunnen leven! Even precieze eisen als ten aanzien van gastheer of waardplant vinden we vaak ook voor andere aspecten van het leefmilieu van ongewervelde dieren.

Vaak wordt verondersteld dat als een natuurreservaat maar zó wordt beheerd dat de vegetatie optimale kansen krijgt voor een maximale diversiteit en vooral de zeldzaamste en meest kieskeurige planten zich daar wèl bij bevinden, de ongewervelden-fauna daarmee eveneens het best wordt gediend. Dat is echter maar ten dele waar, vooral omdat natuurbeheer in ons land bijna nergens meer een zaak is van met rust laten van terreinen. Dat kan alleen in zeer grote gebieden, veel groter dan de meeste resterende natuurterreinen in ons land.

Natuurbeheer betekent in ons deel van de wereld bijna altijd dat de beheerder actief moet ingrijpen. Er wordt gekapt, gebrand, afgeplagd, gemaaid, gerooid, begraasd, sommige soorten worden kortgehouden, paden worden aangelegd. Bij een goed beheer zullen al deze activiteiten misschien de vegetatie en de gewervelde dieren ten goede komen, of in elk geval niet schaden, maar zonder speciale aandacht voor de ongewervelden bestaat er grote kans dat juist de microbiotopen die ongewervelden voor hun bestaan nodig hebben tussen de wal en het schip vallen.

Cerceris rybyensis

Cerceris rybyensis, een graafwesp van wat vochtiger zandstreken, klei- en lössgebieden (tekening: W. Gertenaar)

2. MICRO- BIOTOPEN: BELANG EN BEHEER

2.1. Algemeen

Het is niet de bedoeling om binnen dit korte bestek een handleiding te geven voor een totaal pakket van maatregelen, speciaal gericht op ongewervelden. Op zeer belangrijke aspecten, zoals de noodzakelijke geleidelijke overgangen in het milieu en in de vegetatie (mantel- en zoomgemeenschappen), de aanwezigheid van honingproducerende bloemen gedurende het gehele seizoen, van een geëigende waterhuishouding en vooral van een landschappelijke samenhang tussen geïsoleerde natuurterreinen wordt op deze plaats niet uitgebreid ingegaan.

Dit boekje is bedoeld om bij personen die al dan niet beroepsmatig te maken hebben met natuurbescherming aandacht te vragen voor de belangrijkste microbiotopen die van belang zijn voor onze ongewerveldenfauna. Door het bevorderen van de waardering voor deze ogenschijnlijk onbelangrijke landschapsnippers kan een reële bijdrage worden geleverd aan het behoud van wat ons nog aan ongewervelde dieren rest.

Eén categorie van microbiotopen wordt niet behandeld. Dat betreft planten of dieren die specifieke waardplanten of gastheren zijn voor bepaalde ongewervelden. Een opsomming daarvan zou een telefoonboek van namen opleveren waar een gebruiker voor het praktisch beheer niet erg veel aan zou hebben. Volstaan wordt met te zeggen dat vrijwel elke soort dier of plant de voorkeurs-gastheer of waardplant is van één of (soms veel) meer soorten ongewervelden. Een (incompleet) beeld daarvan geeft de Oecologische Flora van Nederland. Het handhaven van een maximale diversiteit aan soorten bloeiende planten en gewervelde dieren is in dit opzicht ook een beleid dat de fauna van ongewervelden ten goede komt.

Dit is echter beslist niet genoeg! Plantenetende insekten hebben vaak een speciale behoefte aan planten die ziek zijn of het anderszins moeilijk hebben en daarom een minder effectief afweersysteem hebben. Maar vooral stellen de meeste ongewervelden, planteneters of niet, aanvullende eisen aan hun milieu, zoals specifieke plaatsen om te kunnen verpoppen, overwinteren, te nestelen, eieren te leggen, een prooi te besluipen enzovoorts.

Een tweede type microbiotoop waar maar heel kort bij stilgestaan wordt zijn lokaal zeldzame milieutypen: de ene natte plek in een droge hei, de ene zandkop in een laagveenlandschap, enzovoorts. Het spreekt vanzelf dat dergelijke plekjes van grote waarde zijn, enerzijds voor de fauna van het omringende terrein. (een natte plek bijvoorbeeld als broed- of drinkplaats anderzijds omdat er een geheel eigen fauna en flora in te vinden zijn. Daardoor wordt de biologische betekenis van het terrein als geheel vergroot. Bovendien kunnen dergelijke lokaal zeldzame milieutypen de afstand helpen overbruggen tussen soortgelijke gebieden elders.

Een belangrijke eigenschap van veel microbiotopen is dat ze maar een beperkte tijd blijven bestaan: enkele weken bij een kadaver, maximaal enkele tientallen jaren voor een dode boom en alles daartussenin. Het is daarom van het allergrootste belang dat er in een terrein niet één vertegenwoordiger van deze specifieke microbiotopen aanwezig is, maar een flink aantal, liefst in verschillende stadia van afbraak en op niet al te grote afstand van elkaar. In zekere zin betekent dit een pleidooi voor een nog verdere schaalverkleining van een, als het goed is, reeds kleinschalig beheersbeleid. Toch is dat niet in alle opzichten het geval. Zoals in het hieronder staande duidelijk zal worden is er al veel goeds te doen door sommige traditionele hygiënische of beheersmaatregelen achterwege te laten of minder intensief uit te voeren.

Hoewel het bovenstaande dit wellicht doet vermoeden, zijn voor ongewervelden belangrijke microbiotopen niet uitsluitend in natuurreservaten te vinden. Veel van de Nederlandse groene ruimte is in bezit van gemeenten, waterschappen en particulieren. Ook zij kunnen bij het onderhoud van hun parken, wegbermen, waterlopen, dijken en tuinen rekening houden met voor ongewervelde dieren belangrijke leefomstandigheden.

In de volgende paragrafen worden de belangrijkste micromilieus van het land en het zoete water besproken: kort en alleen voorzover van belang voor het beheer van de ongewervelden. De opsomming is zeker niet volledig.

In kadertjes zijn enkele praktijkvoorbeelden van 'insekten'vriendelijk beheer weergegeven. Hopelijk wordt de lezer geïnspireerd om de relatief eenvoudige maatregelen na te volgen.

2.2. Levende planten
Vrijstaande bomen

Oude vrijstaande bomen en laanbomen zijn voor veel ongewervelde dieren van bijzonder groot belang. Doordat het zonlicht onbelemmerd op de stam schijnt kan zich hierop een rijke vegetatie vestigen van mossen en korstmossen. Deze mosvegetatie droogt bij onbewoikt weer snel en volledig uit. Dat is de levensvoorwaarde voor een hele fauna van zeer kleine ongewervelden (vooral beerdiertjes, veel draadwormen en raderdiertjes, enkele soorten springstaarten) die juist in deze biotoop zijn te vinden. Korstmossen en daarmee de genoemde hieraan gebonden fauna zijn zoals bekend overigens zeer gevoelig voor luchtverontreiniging - een bijkomende reden om de relatief weinige zwaar bemoste vrijstaande bomen die ons land rijk is als kostbaarheden te behandelen. Vooral als de boom minder gezond is, wordt hij bezet door schildluizen en een flink aantal houtborende insekten, met name kevers en sommige houtwespen en hun parasieten. Ook hier speelt de zonbestraling van de stam een belangrijke rol; doordat de stam opwarmt en daarmee de inwonende insektelarven, kunnen deze hun ontwikkelingscyclus sneller voltooien. Dat is belangrijk, want hout is een eiwitarme voedselbron; houtbewonende insekten doen daarom vaak jaren over hun ontwikkeling. Veel warmteminnende soorten vindt men daarom uitsluitend in vrijstaande bomen, niet in bosbomen. De gangen van in hout borende insekten zijn op hun beurt nestplaats voor een groot leger insekten, vooral vliesvleugeligen.

In het sap dat stroomt uit verwondingen van de boomstam leven de larven van een aantal soorten thans zeer zeldzame zweefvliegen.

Heggen

Over het belang van houtwallen en dergelijke is al veel geschreven. Zelfs veel smallere en lagere elementen als meidoorn- of haagbeukheggen en de bijbehorende zoomvegetatie bieden een belangrijke woonplaats aan veel ongewervelden. Vooral oude heggen, met veel dood hout erin, zijn waardevol. Deze heggen, die voornamelijk als terreingrens dienen, staan nog steeds onder zware druk door verkaveling en maatregelen tegen bacterievuur. Heggen (en houtwallen) zijn ook van betekenis doordat ze voor luwe plekken in het terrein zorgen. Open, winderige terreingedeelten zijn voor veel vliegende insekten minder geschikt.

Paddestoelen

Paddestoelen zijn niet alleen op zichzelf interessant, maar vormen ook het leefmilieu en voedsel voor veel insekten (kevers, motten, vliegen en muggen). Dat geldt zowel voor de houtige langlevende soorten als elfenbankje, zadelzwam, valse tonderzwam en dergelijke als voor de korter levende, meer vlezige soorten zoals boleten.

Graspollen

Vrijstaande graspollen, in grootte uiteenlopend tussen die van helm en van buntgras, vormen een microbiotoop op zichzelf. Dieren (spinnen, insektenl die tussen de stengels leven vinden hier een klimaat dat aanzienlijk gematigder is dan dat in het open terrein erbuiten. In vochtige milieus zijn de pollen van zeggen en pijpestrootje overwinteringsplaats van veel insekten.

2.3. Dode planten en dieren
Dode bomen
Een wortelkluit

De wortelkluit van een omgewaaide boom biedt - vooral als deze door de zon wordt beschenen - insekten uitstekende nestelmogelijkheden

Dode bomen zijn voor de ongewervelden van enorme betekenis; de eeuwenlange traditie van het verwijderen van vrijwel al het dode hout uit onze bossen is een der meest ingrijpende verstoringen van dat milieu. Maar ook in andere landschapstypen zijn dode bomen van groot belang. Een herziening van het huidige beleid van oogst, respectievelijk afvoer van bijna al het dode hout behoort voor de bescherming van ongewervelde dieren en lagere planten topprioriteit te krijgen.

Hierbij moet men bedenken dat de ene dode boom de andere niet is. De boomsoort maakt een groot verschil (een berk bijvoorbeeld verrot anders en veel sneller dan een eik), de boom kan nog overeind staan (al dan niet met afgebroken kruin) of neergevallen zijn (al dan niet grotendeels vrij van de grond). De schors kan nog wel of niet meer aanwezig zijn, de boom kan diep in de schaduw van het bos liggen of in de volle zon enzovoorts. Bovendien maakt de boom een hele reeks afbraakstadia door voordat hij tot onherkenbare humus is vergaan. Elke combinatie van factoren vormt voor ongewervelden een aparte biotoop waar bepaalde soorten zich thuis voelen.

Het aantal soorten dat speciaal is geassocieerd met dode en verrottende bomen is zeer groot, vooral de larven van muggen en vliegen, kevers, miljoen- en duizendpoten, pissebedden, springstaarten, landmollusken, mijten enzovoorts. Naarmate een boom verder vergaat gaat de fauna die zich er in en op bevindt meer gelijken op de bodemfauna, maar nog lang blijft de concentratie aan individuen en soorten groter dan in een gelijke hoeveelheid bosbodem. Dat dode bomen ook een zeer belangrijke biotoop vormen voor lagere planten (mossen en meer nog levermossen en paddestoelen) hoeft geen betoog. Het belang van de paddestoelen voor de ongewervelden-fauna werd al eerder aangeduid. Dode vrijstaande bomen zijn zeer waardevol als nestelpiaats voor veel warmteminnende insekten, vooral vliesvleugeligen, die vaak nestelen in oude gangen van houtborende kevers. Zij profiteren van het feit dat de boom - vrijstaand en zonder blad - door de zon sterk wordt verwarmd, terwijl nattigheid er niet erg in kan doordringen.

Een half natuurlijk, maar voor veel vliesvieugeligen heel bruikbaar alternatief voor dode vrijstaande bomen zijn hekpaaltjes, uiteraard vooral als ze al wat oud en gescheurd zijn en natuurlijk mits ze niet gecreosoteerd zijn. Speciale waarde moet bij dode en zieke bomen worden toegekend aan loszittende schors. Hierachter bevindt zich een spletenmilieu dat een schuilplaats en/of woonplaats biedt aan zeer veel dieren, zoals het hazestaartje (Polyxenus lagurusi, een merkwaardige, bij ons zeldzame miljoenpoot. Veel dieren overwinteren in diepe schorsspleten en achter schors. De houtmolm onderin boomholten (al dan niet bewoond door vogels of vleermuizen) herbergt een gespecialiseerde fauna van vliegelarven en kevers. Sommige soorten zijn aangewezen op de mest van de hoofdbewoner. Papierwespen, vooral de zeldzame hoornaar, nestelen graag in holle bomen. Wanneer een boom omvalt (of omgetrokken wordt) wordt vaak een deel van de wortelkluit boven het maaiveld uitgetild. Deze biotoop, die droger is dan de omringende bodem, is voor insekten een verrijking van de variatie aan nestelmogelijkheden. Vooral op slappe veenbodems ontstaat vaak met het omvallen tevens een vochtige plek, of zelfs een poeltje, opnieuw een bron van extra variatie.

Vergeleken met dode bomen zijn boomstobben veel minder waardevol. Ze spelen niettemin een belangrijke rol door hun grotere talrijkheid, vooral in onze produktiebossen. Bovendien blijven stobben relatief lang bewaard doordat het zaagvlak moeilijk verrot en de onderliggende wortelhals beschermt. Daardoor kunnen ze iets compenseren van de verarming die het gevolg is van de totale houtafvoer uit onze bossen. Vooral enkele soorten boktorren kan men hier vinden en, in zeer oude vermolmende eikestronken, de larve van het vliegend hert. Droge, vrijstaande stobben zijn nogal eens de kern van een bosmierennest.

NESTHULP VOOR SOLITAIRE BIJEN

Pieter van Breugel uit Veghel is zeer geïnteresseerd in het leven van inheemse solitaire bijen. Deze moet men niet verwarren met de honingbij, die in wezen kan worden beschouwd als een huisdier. Pieter is actief in de plaatselijke IVN-afdeling, waarmee hij een 'insektenmuur' en een 'insektenheuvel' heeft aangelegd. Ook heeft hij enkele voorlichtingsbladen gemaakt over nesthulp voor insekten.

Eén van de bladen handelt over de mogelijkheid voor het verschaffen van kunstmatige nestgelegenheid aan bijen, die nestelen in niet door hun zelfgemaakte holten. Deze holten zijn van nature te vinden in dood hout, bijvoorbeeld in gebruik als hekpalen, maar ook in holle stengels van vlier, braam, riet en dergelijke. Natuurlijke holten zijn in de loop van de tijd steeds schaarser geworden door het toepassen van impregnatie- technieken, het gebruik van kunststof in plaats van hout en maai- en kapregimes die het verwijderen van dode planteresten ten doel hebben.

Een bijenestkast kan simpelweg bestaan uit een blok hout, waarin gaten zijn geboord. Deze moeten op zo'n 1 à 2 cm afstand van elkaar zitten en doodlopen. De diepte moet minimaal 3 en maximaal 25 cm bedragen. Boor in één en hetzelfde blok gaten met doorsneden die variëren van 1,5 tot 10 mm. Bijen geven de voorkeur aan gladde gangen. Gebruik dus hout dat niet teveel vezelt (of boer in de kopse kant); zorg ervoor dat de hoor scherp is. Schuur overblijvende, opstaande vezels weg. Hang de blokken op een zonnige plaats, bij voorkeur het zuiden, op een hoogte tussen de 1 en 5 meter. Hoe lager de nestkast hangt, des te beter kan men de activiteit van de bewoners - die niet agressief zijn! - waarnemen.

Ook bundels van hol of merg bevattend snoeihout (vlier, buddleia, braam) of bamboe zijn uitstekend geschikt als kunstnest. Bind de takken bijeen met een stuk ijzerdraad en hang de bundel hieraan horizontaal of verticaal in de zon.

zelfgemaakte bijennestkasten, tekening P. van Beurden
Holle stengels

Veel insekten nestelen of overwinteren in lof ook wel buitenop) dode plantestengels. Veel angeldragende insekten nestelen bijvoorbeeld in holle braamstengels. Deze voorkeur is goed verklaarbaar: koudbloedige dieren hebben vaak behoefte aan een milieu dat voldoende kan opwarmen, waardoor zijzelf actief kunnen worden en hun eieren en larven zich voldoende snel kunnen ontwikkelen. Schuilplaatsen in of vlakbij de bodem warmen voor dergelijke dieren te langzaam op, ook al omdat ze lang vochtig blijven. Ook is het belang van dode maar wel rechtopstaande stengels voor overwintering gemakkelijk te begrijpen uit het feit dat de daarin overwinterende dieren minder kans hebben aan schimmelaantastingen ten prooi te vallen. Rechtopstaande stengels zijn ook noodzakelijk voor veel webspinnen.

Het is daarom voor de bescherming van de rijkdom aan ongewervelde dieren van belang dat dergelijke milieus in voldoende mate aanwezig zijn en niet in het najaar aan een maai- en/of brandbeleid worden opgeofferd of sneuvelen onder een te intensieve begrazing. Een rand rietruigte, een vlierbosje met holle dode takken en vooral een braamstruweel zijn voor de handhaving van een populatie van veel insektesoorten van levensbelang. Op één soort na nestelen bijvoorbeeld alle van de ruim twintig Nederlandse soorten maskerbijen (Hylaeus) in deze biotoop, evenals veel geslachten van graafwespen. Rietmatten en oude rieten daken zijn om de bovenvermelde redenen entomologisch potentieel waardevol, opnieuw vooral als ze ten dele in de volle zon staan. (Hier vindt men bijvoorbeeld de metselwesp Ancistrocerus nigricornis). Bemoste rieten daken herbergen daarnaast vaak niet alleen opmerkelijk interessante mos- en levermossoorten, maar ook een rijke fauna van beerdiertjes.

Kadavers

Een niet gering aantal insekten, vooral kevers, is gespecialiseerd in het opruimen van aas. Vooral de soorten die gebonden zijn aan grote kadavers behoren om begrijpelijke redenen tot onze zeer zeldzame insekten. Voor de insektenfauna zou het een goede zaak zijn wanneer een groot kadaver niet om hygiënische redenen wordt verwijderd, maar op een plek buiten bereik van het publiek aan de natuur wordt overgelaten. In waterrijke gebieden moet men hiermee echter zeer voorzichtig zijn met het oog op het risico van botulisme.

Vloedmerken

In en onder de aanspoelselzoom langs onze grotere stromende wateren vindt men een groot aantal opmerkelijke insektesoorten. Door de vervuiling van het oppervlaktewater is deze rijkdom sterk achteruitgegaan, maar nog steeds verdient deze microbiotoop onze aandacht.

2.4. Dierprodukten
Mest

Mest is belangrijk als voedselbron en jachtterrein voor honderden soorten mestkevers, spiegelkevers en vliegen. Konijnekeutels kunnen nestjes bevatten van kleine mieresoorten. Sommige vlinders zuigen ook op mest. Traditionele mesthopen van ruige stalmest bij boerderijen, composthopen en andere opeenhopingen van organisch afval zijn door hun continuïteit en de door broei ook 's winters hoge temperatuur van enige waarde.

Nesten en holen

Speciale aandacht als entomologisch waardevolle microbiotoop verdienen de holen van diverse zoogdieren. Met name de relatief diepe holen van konijnen, vossen en dassen herbergen een niet zo soortenrijke maar wel interessante fauna van ongewervelden met een voorkeur voor een grotmilieu. Ook in de nesten van mollen leeft een aantal opmerkelijke insekten, vooral kevers en spinnen. En zelfs in muizenesten leven hommelsoorten en speciale keversoorten. Het op- en uitgeworpen onbegroeide zand van molshopen en konijneholen biedt graafbijen en -wespen vaak belangrijke nestelgelegenheid, vooral wanneer de vegetatie verder geheel gesloten is.

Vogelnesten, ook spechtenesten en nestkasten, kunnen ook na het vertrek van de officiële bewoners een interessante insektenfauna bevatten. Enkele tientallen soorten Microlepidoptera ('motjes') leven in nesten van droog plantaardig materiaal, veren enzovoorts. Ook insektenesten herbergen bijzondere inwoners. In de nesten van mieren, vooral bosmieren, bevindt zich nog een aantal spinne- en insektesoorten die op dit milieu zijn gespecialiseerd (ondermeer kevers, springstaarten en vliegen). In de nesten van knoopmieren leven de rupsen van het gentiaanblauwtje. Sommige soorten kevers en vlinders komen uitsluitend voor in de nesten van honingbijen, hommels of papierwespen.

2.5. Niet-biologische elementen
Rotsen (echte en kunstmatige)

Echte rotswanden zijn in ons land zo zeldzaam ze al haast automatisch een beschermde status hebben verkregen. Hun belang als groeiplaats voor veel bijzondere mossen is bekend genoeg. Daarmee vergelijkbare objecten zoals muurtjes, resten van bunkers of zelfs een puinstort hebben misschien landschappelijk een aanvechtbare status, voor mossen en ongewervelden zijn ze vaak een interessant alternatief. Wel geldt hier in het algemeen dat deze 'kunstrotsen' interessanter zijn als ze ten dele in de volle zon staan, er meer scheuren in zitten en ze een hoog kalkgehalte hebben. De laatste twee factoren worden vooral gerealiseerd in oude metselwerken en ruïnes. Helaas wordt de natuurhistorische waarde door restauraties meestal sterk geschaad omdat deze veelal worden uitgevoerd met een heel hard wordend, zuur reagerend cement. Metselbijtjes en vooral ook allerlei landslakken vindt men bij ons met name in dergelijke half kunstmatige milieus. Ook voor een aantal spinnesoorten is dit een essentiële biotoop.

Stenen

Een vrijliggende steen - of het nu een zwerfkei is, een mergelblok of een vergeten baksteen is - bedekt, mits met rust gelaten, bijna zeker de plaats van een mierenest. De steen houdt de onderliggende aarde droog en verzamelt bovendien op zonnige dagen warmte die geleidelijk wordt afgegeven, zodat de ruimte eronder warmer is dan zijn omgeving. Niet alleen mieren, maar ook pissebedden, spinnen, duizendpoten, loopkevers, graafbijen en -wespen profiteren daarvan. Het is daarom volstrekt verwerpelijk om, bijvoorbeeld terwille van het mechanisch maaien van kalkgraslanden, de daar aanwezige stenen te verwijderen.

Steile heltinkjes

Steile hellinkjes, desnoods maar enkele decimeters hoog, bieden voor veel insekten een nestelgelegen heid waarin geen regenwater doordringt. Opnieuw geldt dat veel insekten bovendien een voorkeur hebben voor hellingen op het zuiden, omdat die het sterkst en het snelst opwarmen. Voor veldsprinkhanen zijn dit de plekken waar ze zich in de nazomer, wanneer het kouder begint te worden, concentreren.

De bermen van holle wegen hebben voor de insektenfauna een vergelijkbare betekenis. Extra aantrekkelijk worden deze hellinkjes als ze min of meer overhangen en zo een strook grond regenvrij houden. Hieronder is uiteraard geen of weinig vegetatie, bij uitstek de biotoop waar larven van de mierenleeuw hun vangtrechters maken. Boswalletjes, met hun rijke mosflora, zijn van waarde voor vochtminnende insekten als springstaarten en sommige muggen- en vliegengroepen.

Zonnige zandplekje

Zonnige, schaars begroeide zandplekken in heide of grasland of in taluds langs verkeerswegen zijn als nestelgelegenheid voor graafbijen, graafwespen en sprinkhanen van grote betekenis. Belangrijk zijn daarbij niet intensief belopen zandpaden en vooral kleinschalig afgeplagde delen van heideterreinen. Hier vindt men, solitair of in kolonies, een kleine tweehonderd soorten zandbijen, groefbijen, zijdebijen, woekerbijen, wespbijen en een zeker even groot aantal graafwespen. Ook de larven van zandloopkevers maken hier hun gangen.

STENEN EN DOOD HOUT IN DE TUIN

Sjef van der Molen is initiatiefnemer en uitvoerder van een kringloop-natuurtuin in Velp bij Arnhem. Hoewel niet iedereen over zo'n grote oppervlakte grond beschikt als Sjef, zijn de door hem toegepaste principes ook in kleine tuinen uitvoerbaar.

Een stapelmuur van steen

Tuinen lijken groter als er hoogteverschillen in zijn aangebracht. De extra ruimte is wellicht voor het menselijk oog niet zo spectaculair, maar de planten en dieren die in de tuin leven zijn er zeer bij gebaat. In een vlakke tuin is ieder plekje min of meer hetzelfde, waardoor het aantal soorten organismen dat er leeft beperkt is. Hoogteverschillen leiden tot kleinschalige variatie in vochtigheid, expositie ten opzichte van de zon en invloed van de wind. Planten en dieren stellen ieder hun eigen specifieke eisen aan deze milieufactoren. Met name ongewervelden zijn wat dat betreft fijn gevoelig, zoals in dit boekje uit de doeken wordt gedaan. Reliëf in de tuin levert dan ook tal van gunstige leefomstandigheden op voor vertegenwoordigers van deze diergroepen. Nog meer afwisseling ontstaat als de hoogteverschillen worden vastgelegd met gestapelde stenen en/of dood hout. Deze materialen bieden extra leefruimte aan ongewerve(de dieren. Bovendien wordt erosie van de bulten ermee voorkomen; hopen losse grond vervlakken meestal na verloop van tijd onder invloed van regen, zodat de tuin weer min of meer egaal wordt.

Veel soorten steen zijn bruikbaar om muurtjes mee te stapelen. Een heel goed resultaat geeft puin, bestaande uit enigszins poreuze, liefst kalkhoudende bakstenen die gemetseld zijn met 'ouderwets' cement (met kalk en tras). 'Zure' baksteen is minder goed te gebruiken. Ook puin met resten hard, ondoorlatend Portlandcement is niet zo geschikt. Kalkhoudende stenen nemen meer warmte op dan kalkarme en geven dus ook meer warmte af aan de grond die er tegen aan ligt. Van die relatief hoge temperatuur profiteren veel soorten mieren, loopkevers, slakken en andere ongewervelden. Hoewel één en al kalk: gebruik geen gipsblokken. Deze vallen binnen de kortste keren uit elkaar, zodat het gevaar bestaat dat het hiermee gestapelde muurtje instort. Wees ook voorzichtig met het toepassen van bakstenen, afkomstig van binnenmuren. Deze nemen zoveel water op dat ze 's winters stuk vriezen, waardoor de stapelmuur verandert in een puinhelling. Een puinmuurtje biedt niet alleen leefruimte aan ongewervelden als het in de zon staat. Ook op een schaduwrijke plaats heeft het zijn waarde; vocht- en koelteminnende dieren profiteren ervan.

Dood hout in de tuin is een eldorado voor insekten. Sommige soorten schuilen eronder, andere eten ervan. De vraatgangen van deze dieren dienen als broedplaats voor wéér andere bewoners, die op hun beurt door indringers kunnen worden op gegeten. Ieder houtsoort heeft zijn eigen bevolking. De samenstelling hiervan hangt onder meer samen met het feit of het hout snel dan wel langzaam verrot of al dan niet zuur is. Veel ongewervelden zijn te vinden in en onder snel rottend berkehout en langzaam verterend, zuur eikehout. Beukehout herbergt wat minder gasten. Geverfd sloophout hoort natuurlijk niet in de tuin, evenmin als tropisch hardhout. Geteerde bielzen vervullen een betere rol als dwarsliggers dan als insektebiotopen.

Hoewel stapelmuurtjes en rottend hout altijd wel tot verrijking van de insekten wereld in de tuin leiden: ze komen beter tot hun recht als in de naaste omgeving in diezelfde tuin (inheemse) voedselplanten voorkomen. Laat de dode stengels in de winter staan, ook hierin zitten ongewervelden!

Water in de tuin, in de vorm van een vijver, heeft ook positieve gevolgen voor de insektenbevolking. Zeker als in deze vijver stenen of dakpannen worden gestapeld waartussen allerlei beestjes zich prettig voelen. Dok dood hout in de vijver biedt veel schuilgelegenheid aan ongewervelden. Gebruik alleen niet tè veel hout: het vijvermilieu wordt anders te zuur. Het introduceren van ongewervelde dieren in de tuin is niet echt nodig. De dieren die kunnen vliegen komen vanzelf wel als het milieu geschikt is. Slakken, loopkevers en andere beesten die zich over de grond voortbewe gen zijn alleen te verwachten als zij in de directe omgeving voorkomen. Deze dieren in de tuin uitzetten heeft alleen zin als het nagenoeg zeker is dat ze er kunnen leven. Als dan ook nog de buren hun tuin insektenvriendelijk maken is er veel gewonnen!

Kale oevers

Onbegroeide oevers van stilstaand en stromend water herbergen een ingegraven fauna die van grote entomologische waarde is. Vooral door kanalisatie van beken is dit milieu langs stromend water zeer zeldzaam geworden. Men vindt hier ondermeer een aantal soorten loop- en kortschildkevers (onder meer Omophron limbatum, Elaphrus,- Bembidion- en Blediussoorten) en oeverwantsen.

Trapgaten

De gaten die door het vee getrapt worden in drassige, venige weilanden en slootkanten herbergen op de wand soms een interessante mosflora. In het modderige water waarmee ze meestal voor een deel zijn gevuld leven de larven van enkele gespecialiseerde insekten.

2.6. Zoetwater
Bronnen en bronbeken

Ongekanaliseerde stromende wateren zijn in ons land betrekkelijk zeldzaam en alleen al daarom het beschermen waard. Toch willen we nog eens benadrukken dat bronnen en tenminste de eerste 200 - 400 meter beek stroomafwaarts ook entomologisch tot de meest waardevolle Nederlandse biotopen behoren. In dit milieu vindt men in het bijzonder platwormen, schietmotten of kokerjuffers, steenvliegen, haften, dansmuggen, wapenvliegen en een aantal bijzondere soorten libellen en waterkevers. De entomologisch meest waardevolle bronnen zijn niet die waar de beek ineens op volle sterkte uit de bodem opwelt, maar juist die, waar de beek diffuus begint als een uitgestrekte, drassige plek in het landschap, vaak begroeid met mossen en waterplanten. Sprengen en sprengenbeken hebben een fauna die sterk verschilt van die van bronbeken; hun entomologische betekenis is sterk afhankelijk van een goed beheer.

De entomologische waarde van bronnen en beken kan door het onderhoud sterk worden beïnvloed. Een te regelmatig en te grondig schoonmaken van de beek (zoals dat op veel plaatsen op de Veluwe en elders veel plaatsvindt) is zeer nadelig, vooral als dit mechanisch gebeurt. Een beperkte mate van onderhoud blijft echter noodzakelijk. Ook het handhaven van een afwisselende oevervegetatie is belangrijk. Een struikengordel langs en boven het water beschermt vooral kleine beken en bronnen tegen opwarming door de zon, houdt een sterke groei van waterplanten tegen en is voor sommige insekten de plaats bij uitstek om te jagen en om eieren te leggen (bijvoorbeeld het snavelvliegengeslacht Atherix). Anderzijds eisen bijvoorbeeld beekjuffers zonnige plekjes waar ze boven het water kunnen baltsen.

Kwelplekken

Kwelpiekken zijn plaatsen waar water uit de ondergrond omhoog wordt geperst. Dit water is afkomstig van hoger gelegen terreingedeelten die soms op grote afstand liggen. Kwelplekken treden onder meer op in de duinen, aan de Veluweranden, langs de Utrechtse Heuvelrug en de Hondsrug, in Noordwest-Overijssel en het Gooi. Maar ook in laaggelegen terreinen nabij grote rivieren, ringvaarten en kanalen kan men kwelplekken aantreffen. Kwelplekken hebben een afwijkende insektenfauna met een aantal zeer zeldzame soorten, met name kevers en dansmuggen. Niet alleen dijkverzwaring is voor kwelplekken een bedreiging, maar ook het verhogen van de waterstand op de plaats waar de kwel optreedt. De toestroom van kwelwater vermindert en de waterkwaliteit wordt minder specifiek. Ook draineren van dergelijke plaatsen is natuurlijk funest.

Dood hout onder water

Dood hout, in de vorm van rottende boomstammen en -takken en blootgespoelde wortelstelsels zijn een bron van voedsel en een woonplaats van slakken en de larven van zeer veel waterinsekten. Boven water uitstekende takken zijn van belang als rust- en uitkijkpunt. Dit geldt voor alle watertypen, maar speciaal voor stromend water omdat daarin minder ondergedoken planten staan. Wervelingen achter dode takken en dergelijke verhogen het zuurstofgehalte van het water; er ontstaat bovendien een micromozaïek van plekjes met relatief langzaam en snel stromend water. Het uit een oogpunt van netheid en goede doorstroming verwijderen van al het in het water gevallen hout is daarom bijzonder ongewenst.

Poelen

Kleine, ook periodiek droogvallende, poelen, bomtrechters enzovoorts zijn voor waterinsekten en kreeftachtigen waardevol. Waar het water volkomen zoet is bestaat in tijdelijke poelen (vooral in Ieemgroeven) kans op het optreden van de in ons land zeer zeldzame kieuwpootkreeften.

Zware beschaduwing maakt vooral kleine poelen meestal erg oninteressant. Dat komt ook door het hiermee samenhangende dikke pakket rottende blad dat de bodem bedekt en het water zeer zuurstofarm maakt.

Mosvegetaties in stromend water

Bemoste stenen en planken in en vlakbij stromend water (op stenen, stuwen, watermolens en dergelijke) zijn niet alleen bryologisch van grote waarde maar herbergen ook enkele bijzondere waterkevers, watermijten en larven van waterinsekten, waaronder zeer veel zeldzame dansmuggen.

Ondermijnde oevers

Wanneer door golfslag of stroming de oevers sterk ondermijnd zijn en de zode min of meer op het wateroppervlak drijft, is een voor waterinsekten zeer speciaal milieu gecreëerd, waarvoor enkele soorten een bijzondere voorkeur aan de dag leggen. Dit was bijvoorbeeld het leefgebied van enkele grote rivierhaften die thans uit onze fauna zijn verdwenen.

3. CONCLUSIES VOOR HET BEHEER

  • Ter wille van een goed beheer van onze ongewervelde fauna is het gewenst dat aandacht wordt besteed aan kleine tot zeer kleine landschaps- elementen. Om een zo groot mogelijke variatie en biologische rijkdom van deze minibiotopen te waarborgen kan een aantal concrete aanbevelingen worden gedaan.
  • Laat, als de veiligheid dit toestaat, vrijstaande bomen ongemoeid, vooral ook als ze dood of ziek zijn. Voorkom bodemverdichting onder vrijstaande bomen omdat hier veel insekten zich verpoppen.
  • Verwijder dood hout zo min mogelijk; laat omgevallen of afgebroken bomen liggen zoals ze gevallen zijn. Voorkom dat mossen, korstmossen of dode schors worden verwijderd.
  • Gebruik ongeteerde hekpalen, zo mogelijk van ruw, niet ontschorst hout. Verwijder oude hekpalen niet, maar zet er nieuwe naast.
  • Wees zuinig op heggen.
  • Veel microbiotopen hebben sterk te lijden van te intensieve hegrazing en betreding, maaien en branden. Zorg er daarom in begraasde terreinen voor dat de graasdruk in elk geval plaatselijk licht tot zeer licht is. Een zware begrazing verdicht de bodem, vertrapt aardnesten, vermindert de bloemenrijkdom en is fataal voor de vele insekten en spinnen die aangewezen zijn op een hoge kruidenvegetatie.
  • Laat bij terreinen met een maaibeheer elk jaar tenminste een tiende van het oppervlak ongemaaid en laat dit minstens tot eind mei van het volgend jaar overstaan. Als de bodem niet al te voedsel rijk is en dus geen sterke verruiging dreigt, verdient het aanbeveling ongemaaide delen zelfs 12 - 24 maanden ongemoeid te laten. Het ongemaaide gedeelte moet zoveel mogelijk strookvormig zijn en zoveel mogelijk verschillende terreingedeelten beslaan. Datzelfde geldt nog veel sterker bij afplaggen en het beheer van ruigtevegetaties.
  • Maal de terreindelen die wèl gemaaid moeten worden zo laat mogelijk, bij voorkeur pas na midden november, omdat veel insektelarven tot laat in het najaar nog moeten kunnen eten. Indien dit laatste tot te sterke verruiging mocht leiden, dan kan een maaibeurt in de voorzomer worden ingelast.
  • Laat braam- en vlierstruwelen met rust; voorkom dat ze te sterk beschaduwd raken.
  • Voer grof maaisel (riet en dergelijke) niet volledig af, maar laat in elk geval een deel liggen. Verbrand het in geen geval.
  • Vervang rieten daken niet door ander dek- materiaal; vervang een oude rietbedekkingen zo mogelijk niet volledig door een nieuwe.
  • Laat kadavers zoveel mogelijk liggen.
  • Laat - niet al te ontsierende - muurtjes, hopen puin ed. ongemoeid; voorkom dat ze geheel diep in de schaduw komen.
  • Wees zeer zuinig op mergelwanden.
  • Laat losliggende stenen onaangeroerd.
  • Wees zuinig op hoogteverschillen, ook als ze klein en ogenschijnlijk onbeduidend zijn: boswalletjes, holle wegen, steile oevers, greppelwanden.
  • Zorg in elk landschapstype dat er plekken zijn waar de bodem (bijna) geheel onbegroeid is en in de volle zon ligt. Voorkom opslag op deze plekken. Bevorder het gedeeltelijk schonen van groeven en ontsluitingen.
  • Wees zuinig op drassige plekken, vooral als ze door kwel worden gevoed. Probeer hier de waterstand onbeïnvloed te houden. Dit geldt ook voor kwelplekken in ondiepe sloten en dergelijke.
  • Beperk het schonen van beken en sprongen. Laat in het water gevallen takken en bomen zoveel mogelijk met rust. Voer het, wanneer er toch geschoond moet worden, zo mogelijk met mankracht uit en laat in elk geval om de tien meter een meter ongemoeid.
  • Zorg dat de oeverbegroeing van bronnen, beken en poelen een goede afwisseling biedt aan schaduwen zonplekken. Voorkom dat er een uniform, dik bladpakket op de bodem ontstaat.
  • Zorg, vooral langs stromend water, voor voldoende plekken met zwak glooiende, spaarzaam begroeide oevers (dus niet compleet beschoeien).
  • Kortom: voer geen enkele vorm van onderhoud uit voor de volle honderd procent!

DANKWOORD

De Commissie voor Inventarisatie en Natuurbescherming van de Nederlandse Entomologische Vereniging heeft van veel personen commentaar ontvangen op een eerder ontwerp van deze brochure. Hun vele opmerkingen, kritieken suggesties zijn voor de totstandkoming van de definitieve versie van groot belang geweest, ook al kon niet altijd voldoende recht worden gedaan aan de soms uiteenlopende meningen. De commissie is zeer erkentelijk voor de constructieve en geëngageerde hulp van zovelen.

Meegewerkt hebben:
  1. B. van Aartsen, ('t Harde),
  2. R. Beenen, (Nieuwegein),
  3. Chr.J.M. Berger, (Hamont-Achel, België),
  4. P. den Boer, (Wijster),
  5. L. Botosaneanu, (Amsterdam),
  6. P. van Breugel, (Veghel),
  7. B. Brugge, (Amsterdam),
  8. drs. J.G.M. Cuppen, (Wageningen),
  9. P.J. van Helsdingen, (Leiden),
  10. C.J. Kalden, ('s Gravenhage),
  11. A. Koster, (Veenendaal),
  12. A. van Krefeld, (Arnhem),
  13. J. Krikken, (Leiden),
  14. G.R. Langohr, (Simpelveld),
  15. V. Lefeber, (Maastricht),
  16. A.A. Mabelis, (Leersum),
  17. J.G. van der Made, (Wageningen),
  18. A. Mol, ('s Hertogenbosch),
  19. J.J. van der Molen, (VeIp),
  20. H.K.M. Moller Pillot (Tilburg),
  21. H. Siepel, (Arnhem),
  22. G.J Slob, (Kruiningen),
  23. J.W. Sneep, ('s Gravenhage),
  24. S. Ulenberg, (Wageningen),
  25. J. Walter, ('s Gravenhage),
  26. W.K.R.E. van Wingerden, (Arnhem).

Overblijfselen van menselijke bouwsels in natuurterreinen bieden dekking en beschutting aan ongewervelden, maar ook aan kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen.

Overblijfsel menselijk bouwsel in natuurterrein

LITERATUUR

Hieronder volgen enkele bruikbare literatuurverwijzingen.

Overigens wordt verwezen naar het literatuuroverzicht van Koster.

  1. Blab, J., 1986. Grundlagen des Biotopschutzes für Tiere, 2e AufI. Kilda Verlag (= Schriftenreihe für Landschaftspflege und Naturschutz 24).
  2. Ellis, W.N. (red.), 1989. Insektenfauna en natuurbeheer. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 192: 1-210.
  3. Fry, R. & D. Lonsdale (ed.), 1991. Habitat conservation for insects - a negelected green issue. The Amateur Entomologist 21: l-XVI, 1-262. The Amateur Entomologists' Society, Middlesex, England.
  4. Koster, A. 1988. Insektenbeheer. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 187:1-112.
  5. Lefeber, br. V., 1989. Het belang van hekpalen voor solitaire bijen en wespen. Wetenschappelijke Mededeling KNNV 192: 93-95.
  6. Mabelis, A. A., 1983. De betekenis van dood hout voor ongewervelde dieren. - Nederlands Bosbouwtijdschrift 55(2/3) 78-85.
  7. Reest, P.J. van der (ed). 1991. Wie het kleine niet eert. Ongewervelde dieren en het terreinbeheer. Natuur- beschermingsraad, Utrecht.
  8. Verdonschot, P. F. M. & H. H. Tolkamp, 1983. De rol van dood hout in stromend water. - Nederlands Bosbouwtijdschrift 55 (2/3): 106-111.
  9. Weeda, E. J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra, 1985, 1987, 1988, 1991. Nederlandse oecologische flora; wilde planten en hun relaties. 1: 1-304; 2: 1-34; 3: 1-302; 4: 1-317. I.V.N., Amsterdam.

Secretariaat van de Commissie voor Inventarisatie en Natuurbescherming van de Nederlandse Entomologische Vereniging:
p/a administratie NEV Plantage Middenlaan 64
1018 DH Amsterdam

De uitgave van deze brochure is mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van:

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Uyttenboogaart - Eliasenstichting tot bevordering van de entomologische wetenschap

Colofon

uitgave: Stichting Landelijk Overleg Natuur en Landschapsbeheer, 1991

auteur: Commissie voor Inventarisatie en Natuurbescherming van de Nederlandse Entomologische Vereniging

redactie LONL-uitgave: Sjaak van 't Hof

foto's: Sjaak van 't Hof

tekeningen: zie onderschriften

druk: Grafische Industrie De Volharding, Amsterdam

©Stichting Landelijk Overleg Natuur- en Landschapsbeheer

Overname van tekst en illustraties uitsluitend na schriftelijke toestemming

CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG

Minimilieus

Minimilieus van minifauna: het belang van zeer kleine landschapselementen als leefgebied van ongewervelde dieren / Commissie voor Inventarisatie en Natuurbescherming van de Nederlandse Entomologische Vereniging; red. LONL-uitgave: Sjaak van 't Hof; [fotogr.: Sjaak van 't Hof]. - Utrecht: Stichting Landelijk Overleg Natuur- en Landschapsbeheer (LONL). - III., foto's, tek. Met lit. opg.

ISBN 90-71245-08-X

Trefw.: natuurbeheer; tuinen / ongewevelde dieren / insekten.