Een grote vuurvlinder,

Succesverhalen

 

Visgraatmodel heideplaggen
en bekalken:
een succesverhaal

Sinds 2002 wordt er op de Strabrechtse heide uitsluitend nog machinaal geplagd volgens het zogenoemde visgraatmodel. Na een langzame overgang van grootschalig machinaal heideplaggen uit de 80'er jaren waarbij soms wel meerdere hectaren aan een stuk werden geplagd, zijn de beheerders stapsgewijs steeds kleinschaliger gaan plaggen. Kleine rechthoekige plagvlakken werden met elkaar verbonden door een afvoerstrook wat uiteindelijk resulteerde in het visgraatmodel.

Plagvlakte uit 2001

Plagvlakte uit 2001 eerste stap naar kleinere schaal (foto © Jap Smits)

Plagvlakte uit 1990 en uit 2007

Plagvlakte uit 1990 (vierkant boven) en 2007-2008 visgraatmethode (onder) (foto © Jap Smits)

Het voordeel van de visgraat plagmethode is dat er vrij grootschalig geplagd kan worden (dit is economisch meer rendabel) terwijl de plagvlaktes hun kleinschalig karakter behouden. De noodzaak om kleinschaliger te plaggen kwam voort uit onderzoek naar de rekolonisatie van bijzondere planten en dieren op plaglocaties. Deze verloopt uiterst langzaam terwijl de heidevegetatie zich wel snel op de geplagde bodem herstelt. Door de onderzoekers werd ook geconstateerd dat er sprake was van verregaande verzuring kort na het plaggen. Deze zuurval veroorzaakt door ammonium, vergiftigt de bodem zodanig dat het voor micro-organismen een tijd lang onmogelijk is om er te leven. Micro-organismen zijn nodig voor de omzet van humus en afgestorven dierlijk materiaal in voor planten en dieren opneembare voedingsstoffen. Een zeldzame plant zoals de klokjesgentiaan heeft last van aluminiumvergiftiging en ontwikkelt daardoor op de zure plagvlaktes een slecht wortelgestel. Grote plagoppervlakken zijn ook moeilijk te koloniseren door het relatief zware zaad van de klokjesgentiaan. Hierdoor herstelen de gentiaanplanten zich voornamelijk in de randzones. Het monitoren van knoopmieren wees uit dat deze insecten wel 15 jaar of langer nodig hadden voordat zij zich opnieuw op de grote plagvlaktes konden vestigen. De visgraat heideplagmethode zorgt voor vrij smalle plagbanen met relatief lange randen langs nog ongestoorde begroeiing. Vanuit deze randen kunnen planten en diersoorten sneller de plagvlakten herbevolken. Door de plagvlaktes direct na het plaggen te bekalken met 2000 kg mergelkalk per ha, kan vergiftiging van de bodem door verzuring worden voorkomen. De zeldzame klokjesgentiaan kiemt en groeit daardoor beter en de planten ontwikkelen een beter wortelgestel. Door de stikstof en ammoniakvervuiling die uit de lucht op de heide valt groeit het pijpenstrootje gras harder en raken gentiaanplanten snel overwoekerd. Onder een dikke laag gras blijft de bodem te koud waardoor ook de knoopmiertjes verdwijnen. Het vlaggenschip van de bijzondere natte heide is het gentiaanblauwtje. Dit blauwe vlindertje legt haar eitjes uitsluitend op de klokjesgentiaan en heeft bij de voortplanting knoopmiertjes nodig. Als gentiaanplanten zich evenals de knoopmieren snel op plagvlakten kunnen vestigen kan ook het gentiaanblauwtje daar voordeel uit behalen. De vlinderstichting heeft dit jaar op de Strabrechtse Heide door een studente onderzoek laten doen naar de hervestiging van knoopmieren op plagvlaktes. Hieruit bleek dat knoopmieren zich sneller vestigen op visgraatplagvlaktes dan op de oude grote vierkante plagvlaktes. Een mooi resultaat na 25 jaar pionieren.

Gentiaanblauwtje

Gentiaanblauwtje met eitjes op klokjesgentiaan (foto © Jap Smits)

Nest moerasknoopmier

Nest moerasknoopmier (foto © Jap Smits)

Visgraatplaggen

Detailfoto visgraatplaggen Strabrechtse Heide (foto © Jap Smits)

Plagmethode met kraan en dumper

Visgraat plagmethode met kraan en dumper (foto © Jap Smits)

 

Fauna en insecten- stroken:
een succesverhaal

In een aantal natuurgebieden gelegen in zuidoost Brabant die ik als natuurbeheerder onder mijn hoede heb worden al decennia lang gras- en hooilanden gemaaid en akkers bewerkt. Moderne maai- en oogst machines werken tegenwoordig snel en efficient. Het is vaak onmogelijk om als dier daar aan te kunnen ontkomen. Vele jaren geleden toen boeren nog niet elke vierkante centimeter van hun graslanden en akkers bewerkten en er met de hand werd gewerkt, hadden diersoorten het goed en hoefden er geen speciale maatregelen te worden genomen. De moderne landbouw met naast de monoculturen en uiterst efficiënt gebruik van de landbouwgronden heeft aan veel dierenleven een einde gemaakt. Sinds een jaar of tien is het bij ons een gewoonte om tussen de 5 en 10% van het te maaien/oogsten gewas op het veld te laten staan. In extreme gevallen (grasland met groot aantal zeldzame soorten) blijft zelfs een kwart tot een derde ongemoeid. Dat laatste gebeurt vooral op extensief beheerde graanakkers en op graslanden die meermalen per jaar worden gemaaid.

Levendbarende hagedis heeft maaibeurt ter nauwernood overleeft

Levendbarende hagedis heeft maaibeurt ter nauwernood overleeft (foto © Jap Smits)

Faunastroken in graanakker

Faunastroken in graanakker (foto © Jap Smits)

Faunastrook in gemaaid droog schraalgrasland

Faunastrook in gemaaid droog schraalgrasland met gewone rolklaver (foto © Jap Smits)

In faunastroken op akkers kunnen zich planten zoals bijvoorbeeld distelachtigen vestigen die normaal meerdere jaren nodig hebben om tot bloei te komen. De bloeiende planten zijn een welkome nectarbron en vormen tevens een voedselbron voor rupsen. Omdat de bodem ook voor langere tijd niet wordt beroerd kunnen in de grond verscholen aardrupsen en vlinderpoppen zich ongestoord ontwikkelen. Op enkele van onze graanakkers op en rond de heide hebben we al enkele jaren de zeldzame kommavlinder en kleine parelmoervlinder rondvliegen. De kommavlinders hebben de nectardragende planten hard nodig in een omgeving die verder vrij arm is aan voedselplanten.

Kommavlinder op jacobskruiskruid

Kommavlinder op jacobskruiskruid in droog grasland (foto © Jap Smits)

Kleine parelmoervlinder

Kleine parelmoervlinder op schapenzuring in roggenakker (foto © Jap Smits)

De kleine parelmoervlinder gebruikt de akkerviooltjes die op de faunastroken groeien om haar eitjes af te zetten. In goede zomers is het niet ongebruikelijk als je op de faunastroken naast wolken van koolwitjes ook koninginnepages of luzernevlinders tegenkomt. Hommels, mieren, solitaire graafbijen en wespen vind je er in overvloed. Zij nestelen in de akkerrand, akker of zandweg in de buurt. De kleine harsbij vliegt bijvoorbeeld op de gewone rolklaver die massaal op de faunastrook tot bloei komt.

Kleine harsbij

Kleine harsbij (foto © Jap Smits)

In de voorzomer kun je de faunastroken bijna met je ogen dicht vinden door grote aantallen veldkrekels die daar in koor zingen. Ik noem nu maar enkele makkelijk herkenbare soorten op. Daarnaast krioelt het er van de loopkevers en op de bodem jagende spinnen. Natuurlijk trekken deze insectenrijke plekken ook insecteneters aan. Het wemelt er dan ook van de kikkers, padden, salamanders en hagedissen.

pad zoekt dekking

Gewone pad zoekt dekking in faunastrook (foto © Jap Smits)

Kleine zoogdieren zoals muizen, wezels en bunzingen en zelfs de vos worden er door aangetrokken. Vanuit de lucht wordt er gejaagd. De bruine kiekendief, torenvalk en de ’s nachts jagende ransuil zijn geen ongewone verschijning. Kleine zangvogels pikken eveneens een graantje mee. Vinkachtigen zoals de kneu, groenling en keep vind je er de hele winter. Maar ook geelgorzen, graspiepers en de veldleeuwerik vliegen er in groepjes rond. Maar dit succesverhaal gaat eigenlijk over insecten. Ook in onze vochtige en natte (schraal)graslanden profiteren vele insectensoorten van deze maatregel. Zo zien we dat naast nectarbehoevende vlindersoorten zoals het oranje zandoogje en het koevinkje welke op de bloemen af komen, ook het oranjetipje deze stroken graag gebruikt om te overwinteren.

faunastrook in nat grasland

Brede faunastrook in nat grasland (foto © Jap Smits)

Moerassprinkhaan vrouwtje

Moerassprinkhaan vrouwtje (foto © Jap Smits)

Tips voor de beheerder:

  • Inventariseer het perceel op de aanwezige fauna voor aanvang van het werk (Als je zelf die kennis niet hebt zoek dan hulp bij specialisten)
  • Leg de bevindingen (aanwezige soorten) vast in een werkplan en pas het werkplan in dien mogelijk aan (maaidatum en/of te sparen oppervlakte)
  • Maak gebruik van de gedragscode Natuurbeheer
  • Geef de locatie van faunastroken in het veld aan of spreek het door met de man op de machine (let op! niet alleen met zijn baas)
  • Laat het resultaat aan eigen medewerkers zien (neem de tijd eens om na het maaien gezamenlijk het resultaat te bekijken. Denk hierbij ook aan de aannemer)
  • Leg de werkwijze vast in eventuele maaicontracten en/of bestekken
  • Probeer door monitoring de resultaten vast te leggen (Je kunt ook hier voor hulp in roepen van specialisten van locale natuurwerkgroepen bijvoorbeeld van de Nederlandse Entomologische Vereniging, Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, IVN Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie of de verschillende Particuliere Gegevensbeherende Organisaties die zijn aangesloten bij het VOFF Stichting VeldOnderzoek Flora Fauna)
Overzichtplan voor faunastrooken

Overzichtplan voor faunastrooken in natte graslanden met een driejarige cyclus (blauw voorgaand jaar, groen huidig maaiseizoen, geel komend maaiseizoen). De stroken blijven tot het volgend maaiseizoen onbewerkt. Zie als voorbeeld het plaatje van een brede faunastrook in nat grasland. De foto is genomen op de groen gearceerde strook. De vierkante blauwe en groene vlakken zijn ongemaaide perceel delen die elk maaizeizoen een perceel opschuiven. (foto © Jap Smits)

J.A.H. Smits
Boswachter Inventarisatie & Monitoring
Strijperpad 5
5595 XR Leende
('AT' = @)