Verklarende woordenlijst
Afkortingen
- EcoGRID
- Informatica infrastructuur voor het efficiënt bijeenbrengen, analyseren en interpreteren van natuurgegevens.
- EHS
- Ecologische Hoofdstructuur, onderdeel van het Natuurbeleidsplan dat zich toespitst op het realiseren van een samenhangend netwerk van natuurgebieden.
- GaN
- Gegevensautoriteit Natuur, ingesteld in 2007 door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, gevestigd te Utrecht.
- IBED
- Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica, gevestigd te Amsterdam.
- NDFF
- Nationale Databank Flora en Fauna, systeem waarmee natuurinformatie in Nederland ontsloten wordt, ingesteld in 2007 door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit.
- OBN
- Overlevingsplan Bos en Natuur, thans Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteiten.
- PBL
- Planbureau voor de Leefomgeving, het nationale instituut voor strategische beleidsanalysen op het gebied van milieu, natuur en ruimte, vestigingen in Bilthoven en Den Haag.
- PGO
- Particuliere Gegevensbeherende Organisatie, aangesloten zijn bij de VOFF
- VOFF
- Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna, gevestigd te Nijmegen.
A
- abiotisch
- betrekking hebbend op de niet-levende natuur.
- acidofiel
- de voorkeur gevend aan een zuur milieu.
- adaptatie
- evolutionaire aanpassing aan een bepaalde leefwijze of omgeving.
- adult
- volwassen dier (bij insecten met volledige gedaantewisseling: imago).
- adventief
- toevallig of door menselijk ingrijpen op een plaats terecht gekomen en daar niet inheems is.
- agrarisch natuurbeheer
- subsidieregeling gericht op de bevordering van natuur, bos en landschap in gebieden waar uitoefening van landbouwactiviteiten blijvend vooropstaat.
- anemochorie
- door de wind verspreid worden
- antropogeen
- door de mensen teweeggebracht.
- aquatisch
- tot het water (als milieu) behorend.
- areaal
- het totale verspreidingsgebied
- associatie
- plantengemeenschap van kenmerkende soortensamenstelling en structuur.
- atlasblok
- gebied ter grootte van 5 bij 5 km, of van 10 bij 10 km, gehanteerd bij landelijk inventarisaties.
- atmosferische depositie
- door de mens veroorzaakte bijdrage aan de stoffen die vanuit de atmosfeer neerslaan op vegetatie en bodem
B
- barrièrewerking
- begrenzing van de mogelijkheid tot verspreiding van planten en dieren.
- basenrijk water
- water dat rijk is aan calcium- en/of natriumbicarbonaat.
- begrazing
- invloed van herbivore dieren op de plantengroei, toegepast bij het natuurbeheer als maatregel voor de regulatie van de vegetatie door middel van het weiden van vee.
- begroeiing
- algemene benaming voor het plantendek, synoniem vegetatie.
- beheer
- het geheel aan maatregelen in en rond natuurgebieden dat gericht is op de instandhouding , het herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden.
- beheerplan
- document waarin voor een terrein beschreven wordt welke doelen met welke middelen nagestreefd worden voor de instandhouding, het herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden.
- Bern Conventie
- internationale overeenkomst tussen de lidstaten van de Raad van Europa inzake de bescherming van de Europese flora en fauna en natuurlijke habitats.
- beschermd
- onderworpen aan regelgeving die beoogt een plant of dier in leven te laten, een populatie te laten voortbestaan, of een situatie te behouden.
- biodiversiteit
- biologische verscheidenheid, rijkdom aan soorten en/of ecosystemen.
- biomassa
- in ecologische zin gehanteerd voor het totale gewicht aan planten en dieren, uitgedrukt in drooggewicht per oppervlakte of aantal individuen.
- biotisch
- uit levende organismen bestaand.
- biotoop
- plaats gekenmerkt door levensgemeenschap, gewoonlijk benoemt naar vegetatietype (zie ook habitat).
- bloeiwijze
- geheel van bloemen aan een gemeenschappelijk as (inflorescentie).
- boreaal
- van noordelijke streken, gezegd van planten en dieren die in de naaldwoudzone leven.
- botanisch
- betrekking hebbend op, behorende tot de plantkunde.
- bos
- een met opgaande bomen (beplante) uitgestrektheid grond.
- brak
- zoutachtig; water met een chloridegehalte van minimaal 1000 mg/l en maximaal 17000 mg/l.
- broedzorg
- bescherming van eieren en/of jonge dieren door regeling van temperatuur, voeding of bescherming tegen predatoren.
- broekbos
- bostype van drassige bodem dat bestaat uit els, berk of wilg.
C
- carnivoor
- vleesetend dier, synoniem roofdier.
- climaxvegetatie
- type begroeiing dat zich ontwikkeld heeft na een reeks van successiestadia.
- colluvium
- door afspoeling in beekdalen afgezette leemgrond.
- cultuurlandschap
- landschap dat door de werkzaamheid van de mens sterk is veranderd.
- cultuurvolger
- cultuurbegeleider, gezegd van soorten die overwegend voorkomen in cultuurlandschappen.
D
- dispersie
- (Lat. dispersio, verstrooiing), dispersievermogen van planten en dieren om zich te verspreiden in de ruimte.
- diversiteit
- verscheidenheid.
- degradatie
- afbraak.
- detrivoor
- levend van dood organisch materiaal.
- differentiëren
- zich in verschillende richtingen ontwikkelen.
- doelsoort
- soort die in het natuurbeleid met prioriteit aandacht krijgt.
- drijftil
- drijvend vegetatiedek van beperkte omvang, vaak begin van verlanding.
- duinbos
- structuurrijk bos dat bestaat uit horizonten van kruiden, struiken en bomen.
- duingrasland
- algemene term voor laag, open en mosrijk grasland op droge bodem in de duinen.
- duinrel
- gegraven greppel of rechtgetrokken beekloop, die water uit de duinen afvoert.
- dwergstruweel
- struweel van zeer lage struiken.
- dynamiek
- de interne kracht in verband met een beweging of verandering.
- dystroof water
- voedselarm water dat bruingekleurd is door humuszuren.
E
- ecologie
- wetenschap van de betrekkingen tussen planten en dieren en hun omgeving.
- Ecologische Hoofdstructuur
- onderdeel van het Natuurbeleidsplan dat zich toespitst op het realiseren van een samenhangend netwerk van natuurgebieden.
- ecologische kansrijkdom
- ecologisch perspectief op het realiseren van een bepaald type natuur.
- ecosysteem
- geheel van de planten- en dierengemeenschappen op een locatie, beschouwd in hun wisselwerking met de milieufactoren waarbij energiestromen, stofkringlopen en regulatiemechanismen de onderwerpen van onderzoek zijn.
- ecotoop
- plaats gekenmerkt door levensomstandigheden, onderdeel van een landschap.
- ectoparasiet
- parasiet die uitwendig op de gastheer leeft.
- enclave
- gebied dat geheel door afwijkend gebied wordt omsloten.
- endeem
- planten- of diersoort waarvan de verspreiding beperkt is tot één gebied.
- endoparasiet
- parasiet die in de gastheer leeft
- entomologie
- de studie van insecten
- epifyt
- plant die op andere planten groeit zonder dat hij daaraan voedsel onttrekt.
- estuarium
- wijde trechtervormige riviermond, waarin eb en vloed zich doen gevoelen.
- ethologie
- wetenschap van het gedrag van dieren.
- eutrofiëring
- vergroting van de voedselrijkdom.
- eurytherm
- voorkomend in een breed temperatuurtraject.
- eurytoop
- gezegd van een soort met een brede ecologische amplitude, weinig kieskeurig t.a.v. biotoop.
- eutroof
- rijk aan voedingstoffen voor planten en dieren.
- exoot
- uitheemse plant of diersoort. (Voor planten wordt de grens tussen exoot en inheemse soort gelegd bij het jaar 1825: alle soorten die daarvóór aanwezig waren, gelden als inheems.)
- extensieve begrazing
- begrazing met een dusdanig lage intensiteit dat aan het begin van het nieuwe groeiseizoen circa 30% van de vegetatie niet is begraasd.
- extinctie
- uitsterven, van toepassing op verschillende schaalniveaus van lokaal tot mondiaal.
F
- facultatieve diapauze
- een niet altijd optredende diapauze, de omgevingsfactoren bepalen of de diapauze al dan niet optreedt.
- fauna
- alle dieren die voorkomen in een bepaalde ruimte of tijdsbestek.
- fenologie
- wetenschap van de biologische verschijnselen gedurende het jaar.
- feromoon
- geurstof die dient voor het afgeven van een signaal.
- flora
- alle planten of vegetaties die voorkomen in een bepaalde ruimte of tijdsbestek.
- Flora- en Faunawet
- Nederlandse wet van 1 april 2002 inzake de bescherming van planten- en diersoorten.
- foerageren
- voedsel verzamelen (door dieren).
- freatofyt
- een van grondwater afhankelijke plantensoort.
- fysiotoop
- plaats gekenmerkt door bodemgesteldheid, waterhuishouding en ontstaansgeschiedenis.
- Fysisch-Geografische Regio
- deel van Nederland dat op macroschaal te onderscheiden is op basis van kenmerkende eigenschappen van geomorfologie, bodem en oppervlaktewater.
- fytoplankton
- plantaardig plankton, microscopisch kleine plantaardige organismen die vrij zweven in het water.
G
- gebufferd water
- water met een buffercapaciteit van 1,0-4,0 meq/l, bicarbonaat dient als zuurbuffer.
- gedomesticeerd
- tot landbouwhuisdier gemaakt.
- geleedpotige
- een ongewerveld dier, waarvan de poten uit geledingen zijn samengesteld.
- geomorfologie
- wetenschap van de vormen van de aardoppervlakte in verband met de wijze van hun ontstaan.
- geslacht
- groep van verwante soorten, onderafdeling van een familie, synoniem: genus (mv. genera); sekse van een plant of dier.
- getijdenwateren
- wateren waarin tweemaal daags een verticale en horizontale getijdenwerking optreedt, deze beweging kan optreden in zoete, brakke en zoute wateren.
- gewerveld dier
- dier met wervelkolom: zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen.
- gley
- roest- en/of reductievlekken in de bodem als gevolg van fluctuaties in de grondwaterstand.
- gradiënt
- de verandering van een grootheid per eenheid van lengte, geleidelijke ruimtelijke overgang.
- groeiplaats
- plaats waar een bepaald gewas groeit, feitelijk vindplaats waar een plantensoort of vegetatie aangetroffen wordt.
- grondwater
- water dat zich onder of in de grond bevindt.
- grondwatertrap
- eenheid waarin de hoogte en de schommelingen van het grondwaterpeil uitgedrukt wordt.
- grub
- greppel, drooggevallen beek; droogdal in het Heuvelland van Zuid-Limburg.
H
- habitat
- (Lat. hij bewoont) natuurlijk woongebied van een organisme of een levensgemeenschap, leefgebied van een diersoort.
- habitatkwaliteit
- mate waarin een leefgebied voor een diersoort als zodanig functioneert.
- Habitatrichtlijn
- richtlijn van de Europese Unie met wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor alle lidstaten inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
- hakhout
- een vorm van bosbeheer waarbij periodiek van alle bomen en struiken de bijgroei van takken wordt gekapt tot op de stobbe.
- halien
- zouthoudend.
- halofiel
- zoutminnend.
- halofyt
- plant die op sterk zouthoudende grond kan leven.
- heischraal
- voedselarm, kalkarm en periodiek vochtig, zo schraal als de bodem van een heideveld.
- helofyt
- waterplant die in de bodem wortelt en boven het wateroppervlak uitsteekt.
- herbivoor
- dier dat alleen plantaardig voedsel gebruikt.
- herintroductie
- het inbrengen van soorten in gebieden waar deze soorten uit verdwenen zijn.
- home range
- afstand van woonplek of nestplaats tot de grens van het bereik waartoe een dier in staat is.
- hoogveen
- boven de grondwaterspiegel gevormd veen, veen dat primair van regenwater afhankelijk is en waarin mossen van het geslacht Sphagnum een belangrijk aandeel hebben in de veenvorming.
- hooiland
- grasland dat gebruikt wordt om hooi te winnen.
- hydrologie
- wetenschap van de grondwaterhuishouding.
I
- imago
- volwassen stadium van insecten met een volledige gedaantewisseling, er treedt een popstadium op in de ontwikkeling.
- indicatorsoort
- planten- of diersoort die door zijn aanwezigheid de hoedanigheid aangeeft van de omstandigheden die men wil weten. Wordt ook gezegd met betrekking tot aanduiding van een plaats die tevens geschikt is voor andere, ecologisch verwante organismen.
- infiltratiegebied
- gebied van langzame indringing van water
- insect
- geleedpotig dier met drie paar poten en meestal vleugels en met een lichaam dat bestaat uit drie delen: kop, borststuk en achterlijf.
- introductie
- het inbrengen van soorten in gebieden waar deze soorten van nature niet voorkomen.
- inundatie
- terrein dat onder water is staan.
- inzijggebied
- gebied met een neerwaartse grondwaterbeweging, onderdeel van een stroomgebied.
- isolatie
- situatie waarbij uitwisseling van individuen van verschillende populaties niet meer mogelijk is.
J
- jaarklasse
- groep van planten of dieren, die uit hetzelfde kalenderjaar stammen.
- juveniel
- onvolwassen, nog niet geslachtelijk herkenbaar dier.
K
- kalk
- het koolzure zout van het metaal calcium.
- kalkgrasland
- grasland op krijthellingen in Zuid-Limburg.
- kalkmoeras
- moeras dat gevoed wordt met kalkrijk grondwater.
- kerngebied
- brongebied van een metapopulatie van planten of dieren van waaruit nieuwe vestiging kan plaatsvinden op locaties in de omgeving.
- klepelen
- het fijn maken van ruige begroeiingen met behulp van roterende klepels.
- kilometerhok
- gebied van 1 bij 1 km, gehanteerd bij landelijke inventarisaties van planten en dieren.
- kloon
- groep van de individuen die door vegetatieve voortplanting uit één individu zijn ontstaan.
- kolonie
- groep van bijeenwonende of –nestelende individuen van een bepaalde diersoort.
- kolonisatie
- het koloniseren, het bevolken van een gebied waar een soort niet aanwezig was.
- korstmos
- organisme dat bestaat uit een zwam die in symbiose leeft met een alg.
- kragge
- drijvend vegetatiedek dat samenhangt door vervlechtende wortelstelsels, trilveen.
- kranswier
- wieren met kransgewijs geplaatste bladeren.
- kwel
- plaats van uittredend grondwater.
- kwelder
- grasland onder invloed de getijden (schor, in Duits Queller).
- kwelplas
- poel die (periodiek) door omhoog kwellend water ontstaat.
L
- laagveen
- veen waarvan de oppervlakte thans ongeveer gelijk ligt met die van omringende wateren, veen dat vooral gevormd is door de planten riet en zegge maar bij verdere ontwikkeling over kan gaan in hoogveen.
- landschap
- omgeving voor zover men die met één blik overziet, een grootschalige ruimtelijke eenheid die gekenmerkt wordt door een bepaald uiterlijk en een bepaalde structuur, dynamiek, ontwikkeling en interne samenhang.
- larve
- onvolwassen stadium van een diersoort, vaak anders van uiterlijk dan het volwassen dier.
- leefgebied
- het gebied waarin alle activiteiten van een dier of dierpopulatie afspelen.
- legakker
- smalle strook land in een veengebied waar de gestoken turf op te drogen werd gelegd en dat nu omgeven wordt door open water (zie ook rib en zetwal).
- levensgemeenschap
- verzameling van soorten planten en dieren, die functioneel bij elkaar horen.
- licheen
- korstmos
- limnofiel
- zich bij voorkeur in binnenwateren ophoudend.
- litorale zone
- tot de kust behorende, zone van het strand tussen de hoog- en laagwaterlijn.
M
- macrofauna
- kleine, met het blote oog waarneembare diertjes in het water; variërend van waterkevers tot watervlooien.
- mantel
- een vooral uit struiken bestaande bosrand, overgang van de buitenrand van een bos naar grasland.
- marginaal
- tegen de bestaansgrens aan.
- matrix
- dominant onderdeel van een landschapsmozaïek; in de wiskunde een geordend systeem van waarden
- meander
- natuurlijke bocht in een rivier.
- mesotroof
- matig voedselrijk met betrekking tot het milieu voor planten en dieren.
- metapopulatie
- een complex van kern- en satellietpopulaties met onderlinge uitwisseling van individuen.
- microklimaat
- geheel van de atmosferisch omstandigheden op een zeer beperkt gebied.
- middenbos
- bos dat zowel hakhout als opgaande bomen bevat, een vorm van bosbeheer waarbij periodiek van alleen de struik- en lagere boomlaag de bijgroei van takken wordt gekapt tot op de stobbe.
- milieu
- het geheel van uitwendige omstandigheden die van invloed zijn op de leefomstandigheden.
- milieudynamiek
- krachten die veranderingen in een ecosysteem teweeg brengen, mate van veranderingen in de niet-levende natuur.
- milieufactoren
- factoren van de niet-levende natuur die van belang zijn voor het leven van planten en dieren.
- mineraal
- bestaand uit levenloze materie, meestal betrekking hebbend op bodem of substraat.
- minimumareaal
- minimaal te realiseren omvang van het natuurdoeltype in een concreet gebied; in de vegetatiekunde gehanteerde maat voor beschouwde ruimte passend bij het type vegetatie bij het maken van opnamen.
- mitigeren
- verzachten, matigen, verlichten; het nemen van maatregelen waardoor maatschappelijk noodzakelijk geachte aantastingen van natuurwaarden worden verzacht.
- metatroof
- overdadig rijk aan voedingstoffen in het water of in de bodem.
- moder
- humusvorm waarbij de humus door bodemdieren is verwerkt in bolletjes; zie ook mor en mull.
- monitoren
- tijdens een proces controle uitoefen; het systematisch en volgens expliciete criteria volgen van de toestand van de natuur.
- monofagie
- levend van slechts een enkele soort voedselbron, gezegd van herbivore insecten.
- mor
- humusvorm waarbij de humus nog nauwelijks verwerkt is door bodemdieren, de humus ligt meestal in de vorm van halfverteerd strooisel boven op de minerale ondergrond.
- morfologie
- wetenschap van de vorm of de bouw van planten en dieren.
- mozaïek
- gecompliceerd maar harmonisch samenstel, patroon in ruimtelijke verschillen in vegetaties.
- mull
- milde humus, humusvorm waarbij de humus voorkomt in een goed gemengd complex met fijne minerale delen.
- mycorrhiza
- wortel van een plant omgeven of doorgroeid met een symbiotische zwam.
- myxomatose
- zeer besmettelijk virusziekte onder konijnen.
N
- natuur
- toestand waarin iets bestaat voordat men er opzettelijk iets aan heeft veranderd, beginsel van alle scheppende en onderhoudende kracht; omgeving of omstandigheden die niet door de mens zijn gewijzigd en waarin spontane vestiging van planten en diersoorten plaatsvindt.
- Natuurbeleidsplan
- strategisch beleidsplan van de overheid op nationaal niveau met doelstellingen en strategieën voor natuurbeheer.
- Natuurbeschermingswet
- Nederlandse wet van 1968 inzake de bescherming van planten- en diersoorten.
- natuurbeheer
- zorg voor onderhoud van het natuurlandschap; menselijke begeleiding van de natuur, in veel gevallen om de gevolgen van (ongewenste) menselijke invloeden op de natuur te compenseren.
- natuurdoeltype
- een in het natuurbeleid nagestreefd type ecosysteem dat een bepaalde biodiversiteit en een bepaalde mate van natuurlijkheid als kwaliteitskenmerken heeft.
- natuurkwaliteit
- de mate waarin een bijdrage wordt geleverd aan het behoud van de nationale en internationale biodiversiteit op een zo natuurlijk mogelijke wijze.
- natuurlijkheid
- criterium waarmee aangegeven wordt op welke schaal en met welke intensiteit biotische en abiotische processen plaatsvinden en in het landschap tot uitdrukking komen.
- natuurontwikkeling
- inrichting van een terrein met het oogmerk nieuwe mogelijkheden voor de vestiging van inheemse planten- en diersoorten te creëren.
- Natura 2000
- samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Het netwerk omvat gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992).
- neofyt
- plantensoort die zich in historische tijd in enig gebied gevestigd heeft.
- niche
- biologische nis, functionele leefplek van een organisme, vooral bepaald door beschikbaarheid in tijd en ruimte van voedsel.
- nitrofiel
- stikstofminnend.
O
- obligate diapauze
- diapauze die altijd optreedt, onafhankelijk van de omgevingsfactoren.
- oecologie
- voorheen gebruikelijk schrijfwijze van ecologie, de wetenschap van de betrekkingen tussen organismen en hun omgeving.
- oligotroof
- arm aan voedsel met betrekking tot het milieu van dieren of planten.
- oligofagie
- levend van slechts weinig soorten voedselbronnen, gezegd van herbivore insecten.
- omnivoor
- allesetend dier.
- ontsnippering
- verbinden van bestaande biotopen door middel van het creëren van nieuwe, of het slechten van barrières waardoor een functionele eenheid op een hoger niveau ontstaat.
- Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteiten
- voorheen Overlevingsplan Bos en Natuur, een kennisnetwerk van onderzoekers, beheerders en beleidsmakers.
- opslag
- gewas dat opkomt zonder door de mens te zijn geplant of gezaaid, bovengrondse uitlopers uit het wortelstelsel.
- organisch
- bestaand uit dode en eventueel levende organismen, meestal betrekking hebbend op bodem of substraat.
- Overlevingsplan Bos en Natuur
- thans Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteiten, een coördinerend platform ingesteld door het Ministerie van LNV, op basis waarvan effectgerichte maatregelen worden onderzocht en gefinancierd.
P
- petgat
- een water rechthoekig van vorm met steile oevers ontstaan door het winnen van turf.
- paraboolduinen
- door de wind gevormde paraboolvormige duinrug.
- parasiet
- plant of dier, levend op of in andere organismen en die negatief beïnvloedend.
- permanent quadraat
- gemarkeerde studieplek op een vaste locatie in een homogene begroeiing, waarin de veranderingen in de loop van de tijd van de aanwezigheid en bedekking van plantensoorten wordt gemeten. Afgekort als ‘PQ’.
- pionier
- plant die of dier dat als eerste een nieuw ontstaan leefgebied betrekt.
- pioniervegetatie
- type begroeiing dat aan het begin staat van een reeks van vegetatietypen die elkaar opvolgen als gevolg van successie.
- plaggen
- afsteken van de bodem met begroeiing en wortellaag. Vroeger toegepast voor de winning van organische materiaal voor de bereiding van meststof voor akkers, thans toepast als beheermaatregel op bodems die te rijk aan voedingstoffen zijn geworden als meest drastische methode van verschralen.
- plankton
- verzamelnaam voor in het water of in de lucht zwevende, kleine plantaardige en dierlijke organismen.
- plantengemeenschap
- gemeenschap van planten van kenmerkende soortensamenstelling en structuur, synoniem: associatie.
- polyfagie
- levend van vele voedselbronnen, gezegd van herbivore insecten.
- populatie
- groep planten of dieren van dezelfde soort, die op een bepaalde plaats bij elkaar groeien of leven. Naar ruimtelijke verdeling worden onderscheiden kernpopulatie en satellietpopulatie.
- predator
- roofdier (Lat. praedator, stroper, rover), dier dat andere dieren eet.
R
- regeneratie
- het opnieuw voortbrengen, het weer doen aangroeien.
- rheobiont
- strikt levend in stromend water.
- rheofiel
- bij voorkeur levend in stromend water.
- rheotroof
- continue aanvoer van voedingstoffen met stromend grondwater.
- rib
- uitgespaarde strook land bij het baggeren van turf en gebruikt als legakker voor het drogen van de turf.
- Rode Lijst
- lijst van planten of dieren die volgens bepaalde criteria bedreigd of kwetsbaar zijn.
- ruderaal
- (Lat. rudéra, bouwvallen) verwaarloosde plek met afval en puin, waar ruderale planten groeien.
- ruigte
- plaats met wild door elkaar groeiend gewas.
- ruigtesoort
- plantensoort die bij een ruime voedselvoorziening snel en hoog opgroeit en andere planten verdringt.
S
- salt spray
- zoute nevel die bij harde wind uit zee wordt meegevoerd.
- saprofytisch
- uitsluitend van afvalstoffen levend, levend op resten van planten of bomen.
- saprotroof
- levend van dood organisch materiaal.
- schaal
- betrekking hebbend op de mate van gedetailleerdheid in de beschouwing van een landschap: macroschaal = het landschap in zijn totaliteit, mesoschaal = in onderdelen, microschaal = in details binnen mesoschaal).
- schor
- buitendijkse aanwas die alleen bij zeer hoog water onderloopt, dus begroeid is (synoniemen: gors, kwelder)
- sedimentatie
- wijze waarop sedimenten gevormd zijn, synoniem: afzetting.
- slik
- onbedijkte aangeslibde kleibank.
- slufter
- doorbraak van de zee in de duinen.
- soort
- geheel van individuen van planten of dieren die in bepaalde kenmerken met elkaar en met hun nakomelingen overeenkomen.
- sporenplant
- plant die zich door sporen voortplant.
- spronglaag
- in stilstaande watereNn voorkomende overgangszone tussen het diepe, koude, licht- en zuurstofarme deel van de waterkolom en het daarboven gelegen, relatief warme, lichte, zuurstofrijke deel.
- stabilisatie
- het tot rust komen van de milieudynamiek; het begroeid raken van een bodem van stuivend zand.
- stagnogley
- gleyverschijnselen als gevolg van periodiek slechte ontwatering, gepaard gaande met een schijngrondwaterspiegel als gevolg van een slecht doorlatende bodemlaag.
- standplaats
- plaats met specifieke levensomstandigheden voor een plantensoort of vegetatietype.
- standplaatsfactoren
- milieufactoren die samen de specifieke levensomstandigheden vormen voor planten.
- stenotherm
- binnen een beperkt temperatuurbereik levend.
- stenotoop
- voorkomen beperkt tot een of slechts enkele milieutypen, tegenstelling eurytoop.
- steppe
- uitgestrekte, boomloze vlakte begroeid met grassen of mossen.
- storingsoort
- plantensoort waarNvan het voorkomen wijst op een verstoring van de bodem of het grondwaterpeil.
- strandwal
- lage duinrug in de oude duinen.
- stress
- kracht die, in de vorm van fysische, psychische of sociale druk uitgeoefend op een systeem, leidt tot veranderingen; met betrekking tot de levensomstandigheden van planten en dieren een vorm bedreiging: fysische stress (invloed van abiotische factoren), biotische stress (invloed van andere soorten dieren).
- strooisel
- laag op de bodem van halfverteerde plantenresten.
- stroomgebied
- het gehele gebied dat op een rivier afwatert.
- structuurtype
- opbouw van de begroeiing volgens de structuurtypologie.
- struweel
- struikgewas.v
- struweelbos
- bos met een goed ontwikkelde ondergroei van struiken.
- submers
- onder water.
- successie
- reeks van opeenvolgende veranderingen in het plantendek, opeenvolging van plantengemeenschappen.
- synantroop
- levend in door de mens gemaakte biotopen zoals huizen, stallen kelders.
T
- taxonomische groep
- groep van soorten die voldoen aan een dezelfde typen van kenmerken.
- taxon
- algemene naam voor een eenheid in de systematiek van het planten- of dierenrijk op elk niveau.
- terrestrisch
- tot het land behorend.
- trilveen
- drijvend vegetatiedek dat golft bij betreding, overgangsstadium in een verlandingsreeks.
- trofisch
- betrekking hebbend op de voeding.
U
- ubiquist
- plant die of dier dat overal voorkomt.
- ubiquistisch
- geen duidelijke voorkeur vertonend voor bepaalde biotopen.
- uitheems
- buitenlands.
- uitrasteren
- omgeven van een plek of gebied met een raster waardoor de invloed van mens of dier uit het omringende of aangrenzende gebied niet op de plek of in dat gebied plaatsvindt. Meestal van toepassing bij begrazing.
- uitzetten
- opzettelijk uitzaaien van planten of vrijlaten van dieren met de bedoeling om op die plaats een populatie te laten ontwikkelen.
- uurhok
- een blok van 5 bij 5 km, één uur gaans in lengte en breedte, een oppervlakte gehanteerd bij inventarisaties.
V
- vaatplant
- plant die voorzien is van vaatbundels waar doorheen het transport van voedingstoffen en water plaatsvindt.
- veek
- aanspoelsel dat bij eb langs de hoogwaterlijn op strand en dijken achterblijft.
- vegetatie
- begroeiing van een of meer plantensoorten in een natuurlijke samenstelling.
- vegetatiepatroon
- horizontNale structuur van de begroeiing; het patroon in bovenaanzicht.
- vegetatiestructuur
- verticale structuur van de begroeiing, het patroon in zijaanzicht.
- vegetatietype
- groep van planten die in geordend verband samen voorkomen.
- verbossing
- het begroeid raken van een lage vegetatie met bomen en struiken.
- verdroging
- te droog worden of te weinig water ontvangen als gevolg van het droger worden van een gebied.
- vermesting
- vorm van eutrofiëring die veroorzaakt wordt door hoge mestgiften.
- verruiging
- toename van de hoeveelheid aan gewas en afname fijne structuren en patronen in de vegetatie.
- verstoring
- negatieve verandering van de toestand van de bodem, het water, de plantengroei of een situatie, of een activiteit of gemoedstoestand van een dier.
- verzuring
- te zuur worden.
- vloedmerk
- spoor dat door de vloed in zijn hoogste stand op het strand of op de oever wordt achtergelaten, synoniem: vloedlijn. Zie ook veek.
- voedselarm
- met een laag gehalte aan voedingstoffen in de bodem of in het water, synoniem: oligotroof
- voedselrijk
- met een hoog gehalte aan voedingstoffen, synoniem: eutroof.
W
- waardplant
- plantensoort waarvan bepaalde dieren leven.
- West-Europa
- het gebied dat bestaat uit Ierland, Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Duitsland, Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk.
- West-Palearctisch
- het gebied dat begrensd wordt door het midden van de Atlantische Oceaan en de oostrand van de Oeral tot Noord-Afrika benoorden de Sahara.
- wetenschappelijke naam
- unieke naam van een planten- of diersoort, bestaande uit twee woorden: de geslachtsnaam (genus) gevolgd door een toevoeging (epitheton) waarvan de schrijfwijze volgens de Latijnse taalregels zich richt naar het taalkundige geslacht van het genus.
- winterannuel
- plant die in het najaar kiemt, de winter als rozet van bladen doorbrengt, vroeg in het voorjaar bloeit en de zomer in zaadvorm overleeft.
X
N
- xylofagie
- leven van het eten van hout.
Z
- zaadbank
- voorraad aan zaden in de bovenste bodemlagen die in slapende toestand wachten tot de kiemingcondities geschikt worden.
- zeedorpenlandschap
- landschapstype dat kenmerkend is voor de door huisgebruik beïnvloede omgeving van oude zeedorpen.
- zeeduinen
- duinstrook tot circa een kilometer landinwaarts, direct ten oosten van de zeereep.
- zeereep
- duinstrook tussen het strand en de zeeduinen.
- zeldzaam
- binnen een bepaald gebied een geringe verspreiding hebbend of in geringe aantallen aanwezig zijn.
- zetwal
- oude sloot die volgestort is met de onbruikbare bovenlaag van de veenbodem tijdens de vervening en later gebruikt als legakker voor het drogen van de turf.
- zoet water
- water met een chloridegehalte van maximaal 300 mg/l.
- zoöchorie
- door mens of dier verspreid worden.
- zoom
- de zoom van het bos, een uit grassen en kruiden bestaande bosrand.
- zoomplant
- plant die bij voorkeur in de nabijheid van struiken of hoge grassen en kruiden groeit.
- zout water
- water met een chloridegehalte van minimaal 1700 mg/l.
- zuurgraad
- mate waarin het water of de bodem zuur is, uitgedrukt in pH. Hoe lager de pH, hoe zuurder.
- zuur water
- water met een buffercapaciteit van maximaal 0,1 meq/l en een zuurgraad van maximaal pH 4,5.
- zwakgebufferd water
- water met een buffercapaciteit van 0,1-1,0 meq/l.
- zwerfbeweiding
- seizoensbeweiding in een perceel met een verplaatsbaar, flexibel gaasraster.